Vrijdag 12; Van verre

Drie Nederlandse architecten en één buitenlandse maakten een studie-ontwerp voor de uitbreiding van het Stedelijk Museum in Amsterdam.

De buitenlander kreeg de vervolgopdracht. Is dit toeval? Wel als men bedenkt dat de Amerikaan Robert Venturi eerst helemaal niet tot de uitverkorenen behoorde en pas werd gevraagd nadat de Nederlandse architect Abel Cahen was afgevallen. Maar het is moeilijk om in toeval te blijven geloven als men ziet wie de architecten zijn die de vier uitbreidingen of nieuwbouw van andere belangrijke Nederlandse kunstmusea voor hun rekening nemen. De Italiaan Alessandro Mendini heeft het nu in aanbouw zijnde Groninger Museum ontworpen, het Bonnefantenmuseum in Maastricht wordt gebouwd naar een ontwerp van een andere Italiaan, Aldo Rossi, en de uitbreiding van het Van Gogh Museum in Amsterdam is van de hand van de Japanse architect Kisho Kurakawa. Alleen het Eindhovense Van Abbemuseum heeft voor zijn toekomstige uitbreiding gekozen voor een Nederlander: Abel Cahen.

Het is natuurlijk wel begrijpelijk dat directeuren van Nederlandse musea met internationale aspiraties het liefst kiezen voor een klinkende buitenlandse naam. Venturi, Mendini en Rossi leveren meer publiciteit en kunst- en architectuurtoeristen op dan de in het buitenland onbekendere Nederlandse architecten. En door voor een buitenlander te kiezen vermijden de directeuren op de gemakkelijkste manier pijnlijke en jaloersmakende keuzes in het Nederlandse architectenwereldje dat, zoals alle wereldjes, niet al te groot is.

Nederland doet zichzelf tekort door zo vaak voor buitenlandse architecten te kiezen als het om belangrijke opdrachten gaat. Met kwaliteit heeft de keuze van de museumdirecteuren niets te maken. Want als Nederland ergens goed in is, dan is het in bouwkunst (en in voetbal natuurlijk). Buitenlanders staan altijd versteld van de hedendaagse Nederlandse architectuur, als ze de moeite nemen om die te leren kennen tenminste. Dat laatste deed bijvoorbeeld Gerrit Confurius, redacteur van het Duitse Bauwelt, toen hij op verzoek van het tijdschrift De Architect het Architectuurjaarboek 1991/1992 recenseerde. Hij prees de Nederlandse bouwkunst uitbundig in zijn recensie: Nederland beschikt over een indrukwekkend aantal getalenteerde architecten, vond hij, en hij hoopte op een grote verspreiding van het boek, gezien de hoge kwaliteit van de architectonische werken. Wel stelde hij vast dat het grootste deel van de gepresenteerde projecten bestond uit woningbouw, "traditioneel een domein van de Hollanders'. Als het aan de museumdirecteuren ligt, zal deze traditie worden voortgezet.