Vervolgopleiding aan vier academies; Ritzen overweegt beperking aantal kunststudenten

ROTTERDAM, 12 FEBR. Minister Ritzen van onderwijs gaat onderzoeken of de instroom van het aantal kunstacademie-studenten beperkt moet worden.

Het aantal studenten ingeschreven bij de elf Nederlandse kunstacademies en andere instellingen voor kunstonderwijs (9.470 fulltime, 2.619 deeltijd, tesamen 518 minder dan vorig jaar) is even groot als in Duitsland en groter dan in Engeland. Ritzen kon zich moeilijk voorstellen dat jongeren hier getalenteerder zijn dan in Duitsland en Engeland. Een eventueel tijdelijke beperking van de instroom van kunststudenten komt de werkelijk getalenteerden ten goede, zei de minister gisteren tijdens een mondeling overleg met de Tweede Kamer over de nieuwe twee fasen-structuur voor het kunstonderwijs.

Of er een echte studentenstop voor kunstacademies komt, is nog niet duidelijk, aldus een voorlichter van het ministerie. Momenteel geldt sinds 1991 al een vrijwillige instroombeperking bij kunstacademies, die daardoor tachtig procent van het toegestane aantal studenten kunnen aannemen zonder dat hun budget wordt gekort. Deze vrijwillige beperking geldt tot 1994 en zou zonder budgettaire gevolgen verlengd kunnen worden. Dit jaar hebben zich ruim drieduizend studenten voor kunstonderwijs aangemeld.

Minister Ritzen zegde toe bereid te zijn een beperkte financiële bijdrage (een ton) te leveren aan de kunstacademies in Groningen en Breda bij het opzetten van een vervolgopleiding autonome beeldende kunst. Die opleidingen krijgen geen officiële status. Die is voorbehouden aan de Rietveldacademie in Amsterdam, de Hogeschool Rotterdam, het Instituut voor hoger beeldend kunstonderwijs Oost-Nederland in Enschede en de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem.

De instellingen in Groningen en Breda moeten zelf zorgen voor het merendeel van de benodigde middelen. Ritzen denkt hierbij aan sponsoring door het bedrijfsleven en subsidies van de regionale overheden. Ritzen kwam hiermee enigszins tegemoet aan de wensen van de fracties van CDA, PvdA, VVD en D66. Die gaan weliswaar akkoord met de uitverkiezing van de vier academies, maar vinden dat met name ook de academie in Groningen zo'n vervolgopleiding moeten kunnen aanbieden.

Ritzen voelt echter niets voor de suggestie van CDA en D66 om Groningen officieel als vijfde academie aan te wijzen, niet alleen om financiële redenen, maar ook omdat naar zijn zeggen een te ruime opzet van de zogenoemde tweede fase-opleidingen ten koste gaat van de kwaliteit van de beeldende kunst.

De keuze voor Amsterdam, Rotterdam, Enschede en Arnhem is conform het advies van een onafhankelijke commissie, onder leiding van drs. J.K.M. Gevers. Verschillende woordvoerders uitten kritiek op het werk en de onafhankelijkheid van de commissie. D66-woordvoerder Nuis betitelde de commissie als “een officieel kenniscircuit dat last heeft van eenkennigheid”. Volgens Nuis heeft de commissie te weinig oog gehad voor de klassieke stromingen in de beeldende kunst, zoals die met name op de Groninger kunstacademie zijn vertegenwoordigd.

De vier tweede-fase-opleidingen gaan per 1 augustus 1995 van start. Ritzen heeft hiervoor jaarlijks 3,5 miljoen gulden beschikbaar. In totaal kunnen er zo'n zestig studenten worden geplaatst.