Valsheid is nu Gouden Standaard

H.H. ter Balkt: Ode aan de Grote Kiezelwal en andere gedichten. Uitg. De Bezige Bij, 80 blz. Prijs ƒ 35,-

Aardige anekdote over Nescio. Jacques Gans schreef in 1953 in zijn Nonchalante notities dat Nescio iemand was die nog steeds sprak van Nederlands-Indië in plaats van Indonesië. Nescio, gevraagd wat hij daar van vond, zei van niets te weten, het boek van Gans niet te kennen en verder trouwens “altijd tegen àlles geweest te zijn - tegen Indië-zeggers, tegen Indonesië-zeggers, tegen ganzen.” En zo wordt nukkigheid overwonnen door superieure overdrijving.

Dat is wat in de poëzie van H.H. ter Balkt ook vaak gebeurt. Ook Ter Balkt wekt de indruk tegen erg veel te zijn, en misschien zelfs wel tegen alles. Maar ook hij weet zijn kennelijke chagrijn vaak om te buigen - is het niet in humoristische overdrijving, dan wel in een nu al vele bundels lang volgehouden oudtestamentische onheilsprofetentoon. Die heeft nu eenmaal van zichzelf al iets komisch en die kan, lijkt mij, door niemand helemaal serieus genomen worden.

In Ode aan de Grote Kiezelwal begint het al meteen in de door Ter Balkt zelf geschreven, programmatische flaptekst. Hij maakt zich zorgen over ”de werkelijkheid', want daar gaat het volgens hem niet goed mee. Daarvan geeft hij ”het Symbolisme' de schuld. Het Symbolisme is, zo legt hij uit, een dichterlijke uitvinding die zich sinds het einde van de vorige eeuw vanuit Frankrijk gevaarlijk over onze contreien heeft uitgebreid. Tot zover is zijn definitie te volgen, maar daarna gaat hij er zelf mee aan de haal. Want Ter Balkt ziet het ruim. Met Nesciaanse overdrijving ontwaart hij tegenwoordig overal symbolisme: ”Rijkswaterstaat valt er onder, want Rijkswaterstaat breekt oeroude rivierlandschappen af. Je hebt nu symbolistische wasserijen (die zwart wassen), symbolistisch water en voedsel (dat noch voedsel noch water is), symbolistische uitgeverijen, symbolistische lyriek die jaagt op het Niets - en symbolistische lucht.'

Zo gaat het in zijn poëzie ook vaak. Chagrijn en royale humor, bezorgdheid en breed gebaar, ontevredenheid en dichterlijke bevlogenheid zijn er altijd, in wisselende doseringen, in aanwezig. Grappen genoeg in Ode aan de Grote Kiezelwal, maar ook genoeg banvloeken die wij, symbolistische lucht-inademers, in onze symbolistische zak kunnen steken. Vroeger kwam de waarheid nog wel eens langs, zo weet Ter Balkt, maar nu blijft zij weg. Beschutting is er niet meer en ook vriendschap, hoop en liefde zijn verdwenen. En wat is ervoor in de plaats gekomen? Onvrede, spot en hoon, die ”hun runen griffen' in onze vloeren. ”Onwaarheid / woont onder ons; bedrog vlekt de schermen / van televisie en bereklauw, vreemd voedsel / rent de magen in.' In een ander gedicht: ”Valsheid is nu Gouden Standaard.' Weer een ander gedicht is opgedragen aan de mensen die machines geworden zijn, aan de ”jan gassen in de straten van oud kwaadsprekersland'. Zij leven in ijzige koude, maar onderhuids broeit het: ”Want groot / is nu de haat en bosbranden stormen in de ziel.'

Mooi razende regels zijn dit, zoals ook de regels waarin wij, slaperigen, opgeroepen worden waakzaam te zijn en ons te verweren tegen dieven - geen gewone, maar dieven die uit zijn op onze geest, onze ziel en onze tijd. En natuurlijk richt de woede van deze dichter zich ook op de dichters in hun ”in middernachtelijke slaap gedrenkte stadjes', de schoonschrijvers van wie er veel te veel zijn: ”Weg met het schoonschrijven!'

Wat ervoor in de plaats moet komen is, neem ik aan, een ander soort poëzie: lijfelijker, met meer gevoel, dichter bij ”de werkelijkheid'. Intussen is daarvoor eerst een andere werkelijkheid nodig. Met instemming, en met veel gevoel voor ironie, citeert Ter Balkt de Duitse dichter Johann Gottfried Seume die rond 1800 al wist: ”Die Zeit der Dichtung ist Vorbey.'

Een dichter die, tweehonderd jaar na een andere dichter, in een gedicht beweert dat de tijd van dichten voorbij is; zo verstrikt Ter Balkt zich wel vaker in zijn eigen netten, om zich er met een geestige wending, een curieus beeld of een vrolijk anachronisme weer uit te verwijderen. De Challenger beschrijft hij als een reiskoets, maar dan zonder paarden. In Belgrado smaakt het water ”naar rode smederijen en volleybalnetten'. Op de muur bij het melkmeisje ziet hij een blauwe vleesvlieg zitten, al voegt hij er wel aan toe dat die niet zichtbaar is. Leeft hij zich in het zieleleven van een bosrand in, dan weet hij droogkomisch te melden: ”Er is weinig voor nodig om een bosrand te zijn.' En op de Zwitserse bergen ”springen gemzen de nauwkeurig / door de Kantons voorgeschreven / stekelige grafieken op en af', terwijl boven de boomgrens, zoals bekend, ”Edelweiss in tabletvorm' groeit, ”door Hoffmann en La Roche geteeld.'

Een echt centrum valt in Ode aan de Grote Kiezelwal moeilijk aan te wijzen. Zoals altijd bij Ter Balkt is ook deze bundel een staalkaart van mogelijkheden, en deze keer zelfs bijna een bloemlezing uit het gehele oeuvre, want nogal wat gedichten dateren uit de jaren zeventig en tachtig. Er zijn weer enige ”uitleggingen' en enkele balladen, een kwartet wespengedichten en een in memoriam, een paar beeldgedichten en een reeks van dertien ”twintigste-eeuwse laaglandse hymnen', in sonnetvorm. Het geheel is ondertekend door Corvus Corone, de zwarte kraai die ook al in Ter Balkts eerste bundel het woord voerde: krassende zangvogel en onheilsbode tegelijk. Er is veel aandacht voor het oude hart van Europa (Wenen, Praag, Belgrado), maar ook voor denappels, hazelaars en judaspenningen. Er is weer een Wurlitzer-gedicht en er is tot besluit een lange liefdevolle ode aan de Grote Kiezelwal die zeven eeuwen geleden door de Atlantische Oceaan voor de kust van Brighton werd neergelegd. Deze wal van ”rondgeslepen galstenen / het groenige glaslichaam van de zee' is sinds Ter Balkt hem zag in ieder geval één kiezel kwijtgeraakt, want die ene ligt nu ”met rolrond drinkerslijf' bij hem thuis onder de lamp te schitteren. En als hij naar buiten kijkt, ziet hij sneeuw vallen, sneeuw die misschien water is geweest bij de Kiezelwal en mogelijk verdampt, opgestegen en weer neergedaald om die ene verdwaalde kiezel in Nijmegen een verre groet te brengen.

Dat is dan toch nog, in de allerlaatste regels, een intiem, bijna sentimenteel en misschien zelfs wel typisch symbolistisch moment. Zo zijn er wel meer plaatsen waar klein geluk, eenzaamheid en melancholie door de barse oppervlakte heen willen breken. Zijn meest tedere regels bewaart Ter Balkt voor Ötziman, de gemummificeerde bergbeklimmer die in 1991 in de Ötztalgletsjer werd gevonden. Aan hem wijdt hij een twintigste-eeuwse laaglandse hymne, maar het is natuurlijk een hooglandse hymne aan een geestverwant die veertig eeuwen lang met onbeschadigd oog eenzaam vanuit het hoogland uitkeek ”over de razende eeuwen', ”de vleugelslag van de arenden, het suizelen / van de wind' en het ”snelvoetig reizende wolkenpak'. Een blinde ziener, helaas gevonden en nu helaas van zijn geliefde alp gescheiden. ”Nu is de alp alleen, Ötziman.'

Als Ter Balkt ergens tegen is, dan is het vooral tegen het heden. Blijkt dat niet uit zijn onthechte Ötziman-hymne, dan blijkt het wel uit het gedicht dat er naast staat: een sarcastisch portret van onze lage landen, waar in de schaarse bossen nu armzalig theater wordt gespeeld en waar diepgekoelde vrachtwagens van de firma's ”De IJskoning' en het ”IJspaleis' af en aan rijden om bij oude eerbiedwaardige hoeven hun bestellingen af te leveren: symbolistisch voedsel, armzalige kost, maar niet duur, zoals blijkt uit deze hilarische slotregels, een prijslijst in poëzie:

”Mini-gehaktballetjes, doos à 50 stuks ƒ 12,50; gewurgde nasi-goreng; truffeltaarten, 2 stuks ƒ 19,50. En: bitterballen; kipfilet.'