Schrijven is masturbatie; Een jongensboek van het gewaagde soort van Ronald Giphart

Ronald Giphart: Giph. 224 blz. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Prijs: ƒ 29.90.

“Schrijver zijn is een geloof”. Dit credo legt Ronald Giphart de hoofdpersoon Giph van zijn tweede roman, Giph, in de mond. “Al is de wereld nog zo verschrikkelijk, al is alles en iedereen tegen je, al kan je niet skiën, al ben je niet in staat tot normaal menselijk contact; de wetenschap dat je erover kunt schrijven maakt zelfs het rotste rot draaglijk.”

Aan het woord is een 25-jarige jongeman die het schrijverschap serieus lijkt te nemen. In elf brieven aan een anonieme geestverwant en leeftijdsgenoot is het een steeds terugkerend thema. Nadrukkelijk geeft deze Giph zich rekenschap van zijn positie in de Nederlandse letteren. De Nederlandse literatuur, daar is iets mis mee, zoveel wordt al snel duidelijk. “De Nederlandse literatuur is een door lafheid en schaamteloze hypocrisie verziekte en volledig corrupte communistische partij. Iedereen houdt iedereen voortdurend in de gaten, iedereen volgt wat iedereen zegt of doet, en het zijn niet de goede, geestige en gedreven boeken die het klimaat van de literatuur bepalen, maar de benepen, op hun weg naar de Olympus gefnuikte roddelneefjes”, zo schrijft Gipharts alter ego ferm. “De slangekuil die Amsterdam heet, het wespennest, het maaiveld: het is een schrijver in Nederland geraden mensen te vriend te houden.” De conclusie is dan ook onontkoombaar: “De Nederlandse literatuur is simpelweg niet integer”.

Daar kan de Nederlandse literatuur het voorlopig weer mee doen. Wat wordt tegenover dit wespennest gesteld, wat heeft deze voorstander van de ”deïnfantilisering van het Nederlandse boekenvak' zelf in te brengen?

Niet erg veel. Want Giph heeft, afgezien van deze strenge passages over het boekenvak, veel weg van een jongensboek, van het gewaagde soort. Na Ik ook van jou (1991), waarin Giphart verslag deed van een dolle, seksovergoten vakantie in de Dordogne, viel misschien ook niet veel anders te verwachten. Ook nu weer gaat hij gedetailleerd in op de weinig opzienbarende belevenissen van een Utrechts drink- en neukgraag vriendenclubje. Het is een Gimmick!-achtig geval, maar dan wat minder ruig en heel wat studentikozer, al doet Giphart zijn best om net zulke stoere taal te gebruiken als Zwagerman. Centrale figuren in dit van leven, literatuur en liefde overkolkende Utrecht zijn Giph en zijn boezemvrienden Thijn en Monk. Alle drie zijn ze schrijver, of ze willen het worden of ze denken erover het te willen worden. Maar het meest uitvoerig worden we uiteraard ingelicht over het schrijverschap van Giph.

Benepen

Echt geloven in de literatuur doet hij allang niet meer. Niet alleen ”de Nederlandse literatuur' krijgt het voor de kiezen, maar ook afzonderlijke schrijvers als Zwagerman, Maarten 't Hart, Kousbroek, Hermans, Geerten Meijsing, ”Afth' en Jeroen Brouwers worden hier zogenaamd ontmaskerd. Niet zozeer om wat ze schrijven, maar om hoe ze zich gedragen in het openbaar. Het is een even beproefd als benepen procédé. Wat is er prettiger voor de kleine schrijver dan het neerhalen van de grootheid van anderen, - die van Bekende Schrijvers bijvoorbeeld? De kleine schrijver bezoekt graag boekenbals, literaire cafés en recepties. Niet uit belangstelling, maar om ontluisterende ontdekkingen te kunnen doen over het gedrag van grotere schrijvers en die met heilige verontwaardiging voort te zeggen.

Vooral de ooit door Giph verafgode Brouwers moet het hier ontgelden, want hij neemt de literatuur veel te serieus en stelt er onnodig hoge eisen aan. “Ga een ander vervelen met je dogma's, Brouwers”, zo voegt Giph hem toe, “alsof ik niet zelf mijn eigen dogma's kan verzinnen, en ik heb er honderden, hoor, meneer Bralput, zo vind ik bij voorbeeld dat schrijven primo ten eerste en alleen maar leuk moet zijn, leuk om te doen, fijn om te vinden, schrijven is een solipsistische bezigheid die alleen en louter genot en zinnebevrediging moet verschaffen, voilà, een dogma, schrijven is masturbatie, meer niet, schrijven is me aftrekken.”

Leuk, dat is het trefwoord in dit boek. Literatuur moet leuk zijn, en vooral niet moeilijk of ingewikkeld, of te gestileerd. Leuk is schrijven over masturberen en over het versieren van meisjes, over neuken en klaarkomen, over orgies en katers, over een scheve lul en hangtieten. Leuk is om grappig uit de hoek te komen. ”Timon is homo. Huib is homo. Sterker nog: Timon en Huib zijn allebei homo'. Of om over een vriendin op te merken dat je met haar een ”droogneukrelatie' hebt. Leuk is schrijven over het leven van alledag, met veel haakjes, aanhalingstekens en geinige terzijdes, zonder zich te vermoeien met gedachten over compositie, stijl of samenhang. Leuk is om vooral geen bedoelingen te hebben met dat leven of met het geschrijf erover.

Maar het allerleukst is nog wel om dat ruim tweehonderd bladzijden vol te houden en de hele zaak nog uitgegeven te krijgen ook. Leuk is kortom knap vervelend, maar of ik tot dit oordeel bevoegd ben is de vraag. Want, zo schrijft Giph in zijn onmetelijke wijsheid, ”meisjes houden eigenlijk niet van humor'.