's Nachts komen de beste ideeen; De rijkste literaire tijdschriften van Nederland

Literaire tijdschriften worden weinig gelezen, leveren geen geld op en kosten de redactie buitensporig veel tijd en energie: “Alleen al die verpletterende waakzaamheid waarmee je door de stad loopt.” Waarom hebben de redacteuren dat er voor over? Wat bezielt de uitgevers? En wat kan de lezer in de tijdschriften aantreffen? Een rondgang langs zes literaire bladen die vanaf dit jaar meer subsidie krijgen.

Minimaal vijfhonderd lezers en hooguit drieduizend - dat is waar de redactie van een literair tijdschrift op mag hopen. Weinig lezers dus. Geld verdient men er niet aan, noch als redacteur, noch als uitgever, en als schrijver nauwelijks. Wie in een tijdschrift schrijft krijgt ƒ 17,50,- per 400 woorden, later kan men dan bij het Fonds voor de Letteren een aanvullend honorarium aanvragen dat uit zo ongeveer hetzelfde bedrag bestaat. Dus een tijdschriftredacteur kan nog zulke mooie lange stukken publiceren, een inkomen levert dat niet op.

Stukken schrijven kost bovendien veel tijd, en een redacteur die in zijn of haar eigen tijdschrift schrijft wil dat vanzelfsprekend zo goed mogelijk doen, om te tonen hoe er in dat tijdschrift geschreven moet worden. Xandra Schutte bij voorbeeld, van Lust & Gratie is een beetje benauwd voor de taal die bij Vrouwenstudies in zwang is en die het blad dreigt binnen te sluipen. “Gaan ze eenmaal aan de universiteit werken dan komt er vaak geen leesbaar woord meer uit,” zegt ze. Haar eigen stukken moeten dus helder en animerend zijn en laten zien waar Lust & Gratie staat: tussen de academie en de literatuur in. Schutte is bovendien redacteur van De Groene waarvoor ze ook lange stukken moet schrijven, ze maakt boeken, ze leidt fora, ze heeft het ongetwijfeld druk genoeg zonder dat ze, zoals tot voor niet zo heel lang geleden gebruikelijk was, zelf de adressen van Lust & Gratie-abonnees op de enveloppen moet plakken. Of zonder redactievergaderingen, mensen bellen en aansporen, kopij lezen en retourneren, becommentariëren, redigeren of corrigeren. Een tijdschrift kost veel tijd en energie. “Alleen al die verpletterende waakzaamheid waarmee je door de stad loopt,” zegt romanschrijver, dichter en essayist Willem Jan Otten van Tirade.

Literaire tijdschriften worden dus weinig gelezen, leveren geen geld op en kosten de redactie buitensporig veel tijd. Waarom hebben die redacteuren dat er voor over? Waarom willen ze zo nodig een tijdschrift maken? Het antwoord is even simpel als jaloezieverwekkend: omdat ze er veel plezier aan beleven. Dat wil niet zeggen dat ze maar wat doen. In tegendeel, elke redactie heeft een duidelijk idee van wat haar blad onderscheidt, welke literatuur men erin wil lezen, welke bijzondere schrijvers of dichters absoluut onder de aandacht van de lezers gebracht moeten worden en welke gedichten of toneelstukken vragen oproepen die beslist gesteld moeten worden.

A-status

Tijdschrift-redacties leggen, zodra ze over hun blad praten, de nadruk op de essays. Daaruit blijkt het duidelijkst het karakter van een tijdschrift, althans: daarin kan de redactie het meest sturen. Maar natuurlijk zijn proza en poëzie voor een echt literair tijdschrift ook van groot belang. Eigenaardig genoeg lijken alle zes literaire tijdschriften die onlangs van het Literaire Produktie- en Vertalingenfonds te horen kregen dat hun subsidie wordt verhoogd, een afkeer te hebben van recht-toe-recht-aan-realisme met een lichte psychologische verdieping, en van bekentenisproza, "ook als het feministisch is' zegt Lust & Gratie er ten overvloede bij. En elke redactie voegt daar meteen aan toe dat ze een realistisch verhaal natuurlijk wel zou nemen als het heel goed gedaan was. Maar de voorkeur gaat uit naar avontuurlijk proza, buiten de gebaande paden, onderzoekend, denkend, essayistisch, vrolijk, sterk. Over het proza is men het dus roerend eens, in theorie. Want wat het ene tijdschrift "heel goed' vindt, daar vindt het andere niets aan en andersom. “Dat is zo'n veelgehoorde uit de lucht gegrepen opinie dat de tijdschriften sprekend op elkaar zouden lijken,” zegt schrijver en dichter Willem van Toorn van het tijdschrift Raster. “Wie dat denkt, leest ze niet.”

Wat willen, hopen en bedoelen de zes tijdschriften die van het Produktiefonds de zogenaamde A-status gekregen hebben? En wat kan een lezer in zo'n tijdschrift aantreffen?

De groep A-tijdschriften valt in tweeën uiteen, enerzijds zijn er de "strikt-literaire' tijdschriften, Optima, Tirade en Raster; anderzijds de tijdschriften die meer willen en/of iets anders willen dan alleen maar van de literatuur zijn: Literatuur, De Gids, Lust & Gratie. Maar hoe verschillend ze ook zijn, elk van die tijdschriften geeft blijk van plezier in een bepaald soort literatuur, hartstocht voor sommige onderwerpen, nieuwsgierigheid. Van de meeste literaire tijdschriften gaat een ongemeen enthousiasme uit, een lezer krijgt er zin van in lezen. Dat het in de Nederlandse literatuur de dood in de pot zou zijn, zoals wel eens beweerd wordt, dat blijkt niet uit de tijdschriften. Daar krioelt het van leven.

Buitenbeentje

Literatuur is het buitenbeentje in de A-ploeg. “Wij beseffen heel goed dat we geen literair tijdschrift zijn,” zegt Herman Pleij, schrijver van enkele veel verkochte studies over de late middeleeuwen en net als zijn vier mederedacteuren hoogleraar Neerlandistiek. In Literatuur zal men geen proza of poëzie aantreffen, alleen beschouwingen, essays, columns, nieuwtjes, boekbesprekingen, die allemaal betrekking hebben op Nederlandse literatuur uit heden en verleden. Sterker nog: op wat Neerlandici op te merken hebben over die literatuur, wat ze ontdekt hebben, wat ze vermoeden. “Er bestaat,” zegt Pleij, “een algemene wan-interesse voor de eigen Nederlandse letterkunde, niet alleen bij het grote publiek, ook bij Nederlandse auteurs. Vraag jonge schrijvers naar de auteurs met wie ze zich verwant voelen en tien tegen een dat ze aankomen met Flaubert of Márquez of Proust - dat is toch krankzinnig. Ze kennen de eigen traditie helemaal niet, nooit Bredero gelezen of Huygens. Frans Kellendonk werd toch min of meer voor gek versleten toen hij zich met Vondel ging bezig houden. Vondel! Wie leest er nu Vondel!”

In die houding wil Literatuur verandering brengen. Tegelijk kan het blad een einde maken aan de alom levende gedachte dat Neerlandici niet kunnen schrijven. Literatuur wil geen vaktijdschrift zijn vol dorre taal en verantwoorde beweringen, integendeel, laat iemand maar eens een wilde veronderstelling doen over nog lopend onderzoek, "dat kan bij ons'. Dat vindt de redactie zelfs heerlijk.

Van de literaire A-tijdschriften is De Gids het minst literair, dat wil zeggen: het minst exclusief literair. “Ik ben een beetje moe van dat begrip "literatuur', van de boekenbijlagen en de literaire bijlagen” zegt de Maastrichtse dichter en hoogleraar Wiel Kusters. “Literatuur zit niet op een eilandje in haar eentje mooi te wezen, literatuur hoort bij politieke en sociale onderwerpen. Literatuur gaat over de wereld en de andere stukken die in De Gids staan ook.” Daarin voelt de redactie zich verwant met tijdschriften als Hollands Maandblad en het Nieuw Wereld Tijdschrift. Naast een enkel verhaal en een handjevol gedichten vindt een lezer in De Gids poëziebesprekingen, een "kroniek' waarin terugkerende thema's die meestal verband houden met kunst, een opvallende en eigenwijze buitenlandse-literatuurrubriek, en verder essays en beschouwingen over van alles en nog wat. Een greep: opkomst en ondergang van herpes genitalis; de oorlog in Joegoslavië; het vrouwbeeld in het werk van Hella Haasse; criminaliteit bij Marokkaanse jongens; herinneringen aan Jan G. Elburg. Bij die stukken wordt de nadruk minder gelegd op literair gehalte dan op de inhoud van de bewering.

De Gids is het oudste literaire tijdschrift van Nederland en dat wil het blad weten ook. “Wij hebben een lange en bijzondere traditie en die zetten we voort. Dat kun je saai noemen, maar dat is wel een beetje makkelijk,” zegt redacteur-secretaris Theodor Duquesnoy nog voor iemand het woord "saai' had laten vallen.

Lust & Gratie had aanvankelijk de ondertitel "Lesbisch cultureel tijdschrift'. Daarmee verwees de redactie naar Adrienne Rich die het woord "lesbisch' los wilde maken van de eng seksuele betekenis en er de ervaring van alle vrouwen met andere vrouwen mee aan wilde duiden, om zo de tegenstelling tussen lesbisch en heteroseksueel te verkleinen. Helaas bleek de ondertitel in de praktijk veel beperkender opgevat te worden dan de redactie bedoelde, zodat de ondertitel nu binnenkort afgeschaft zal worden. “Het is een veel ondogmatischer blad dan je misschien zou denken,” zegt Xandra Schutte. Er schrijven voornamelijk vrouwen in, maar dat is geen wet van Meden en Perzen.

Lust & Gratie legt de nadruk op essays en beschouwingen. Goede schrijfsters kunnen in alle bladen terecht, maar wat volgens de redactie ontbreekt, en dat kan moeilijk tegengesproken worden, is de essayistische begeleiding van die schrijfsters. Vooral buitenlandse schrijfsters maar ook Nederlandse, het liefst "denkende schrijfsters' worden door het blad gevolgd. Zo bracht Lust & Gratie vorig jaar een prozanummer uit, "het literair klimaat' geheten, waarin een tegenwicht aan de mannelijke stand-van-zaken-bundels wordt geboden met essays over onder anderen Marja Brouwers, Doeschka Meijsing, Monika van Paemel en Nicolette Smabers. In de inleiding wordt geopperd dat het misschien tijd wordt “het pejoratieve "predikaat "vrouwenliteratuur' ” af te schaffen, maar dat voorstel wordt toch nog "utopisch' gevonden. Lust & Gratie heeft zichzelf nog lang niet overbodig gemaakt.

Briljante vondsten

“Oh nee,” zegt de Tirade-redactie unaniem op de vraag of zij ook wel redacteur van Raster zouden kunnen of willen zijn. “Die zijn zo geleerd. Ze bewegen zich moeiteloos van taalgebied tot taalgebied, ook de Finse literatuur hebben ze in hun zak. Als je je die redactievergaderingen voorstelt, waar die flitsende breinen briljante vondsten doen...” Willem Jan Otten en zijn collega-dichters Robert Anker en Tomas Lieske overdreven. De Raster-redactievergaderingen vinden bij voorkeur 's avonds plaats, bij voorkeur tot diep in de nacht en bij voorkeur met drank. Want dan wordt het gezellig en dan komen er de beste ideeën. Wel worden de redacteuren allemaal bezeten door een hartstochtelijke liefde voor literatuur, waarbij ze de "moeilijkere' schrijvers en dichters uit heel Europa niet uit de weg gaan. Wat niet wil zeggen dat het blad vol ondoordringbare stukken en duistere poëzie staat. Integendeel, voor het laatste nummer werden diepgravende maar lichtvoetige dichters vertaald en de themanummers die Raster maakt gaan nooit over zoiets als "het belang van een marxistische literatuurtheorie', zoals het cliché dat van Raster bestaat graag wil, maar over eten, kitsch, jeugdliteratuur of, zoals onlangs, over vergeten woorden. Dat Vergeetwoordenboek was een van de meest succesvolle nummers van het in boekvorm verschijnende tijdschrift, het beleefde zelfs een voor een tijdschrift heel ongebruikelijke tweede druk. Mischien was het Vergeetwoordenboek zelf voor Raster ook wel een beetje ongebruikelijk, zo'n gezellig nummer waarin woorden als "lijfje', "hondenkar', "inktlap' en "flatneurose' werden opgehaald en toegelicht. “Vroeger zouden we zo'n nummer waarschijnlijk niet gemaakt hebben,” zegt essayist en romancier Jacq Vogelaar, “toen waren we wel wat theoretischer. Maar het komt toch helemaal niet uit de lucht vallen als je denkt aan onze belangstelling voor het geheugen, voor taal.”

De Tiraderedactie weet toch zeker dat men bij Raster veel meer vanuit kennis van "de literaire theorie' schrijft, waar men bij Tirade persoonlijk wil zijn. Wie in Tirade over literatuur schrijft, mag van zijn stuk beslist geen "secundaire literatuur' maken. Dat willen ze niet bij Tirade. Ze willen ook niet gezaghebbend zijn. Ze willen laten zien wat zij in de moderne Nederlandse literatuur van belang vinden, waar ze bij willen horen, hoe het "Tirade-landschap' eruit ziet. Een lezer die een jaar lang op Tirade geabonneerd is geweest, heeft veel Nederlandse poëzie onder ogen gekregen van uiteenlopende dichters, zoals bijvoorbeeld Leo Vroman, Rutger Kopland, H.H. ter Balkt en Rogi Wieg. Tirade haalt in haar "herlezen'-rubriek schrijvers en boeken naar voren die uit het zicht verdwenen zijn. Soms levert dat een aangename verrassing op: uit de hernieuwde kennismaking met Bordewijk bleek dat hij een auteur is die helemaal bij Tirade hoort. Tirade legt de lezer een dwingende blik op in de vele essays, de redacteuren willen zich meten met hun onderwerp, niet dienstbaar zijn.

Raster en Tirade zou je programmatisch twee tegenovergestelden kunnen noemen, met Optima er tussen in. Wat niet betekent dat die bladen elkaar bestrijden, maar ze letten wel op elkaar. En ze vullen elkaar aan.

“De bloei van Tirade is ons heel welkom,” zegt de Rasterredactie. “Zij doen heel veel aan Nederlands proza en poëzie, ze zijn een doorlopend podium voor sommige auteurs - dat is mooi, dan vragen wij zo'n auteur, als we die al willen vragen, om iets heel anders, iets dat hij of zij zonder onze vraag niet geschreven zou hebben.”

Jong

Bij Optima, met zijn tien jaar en redacteuren van in de dertig het jongste tijdschrift van de drie, is men wel geïnteresseerd in essays over buitenlandse auteurs, maar romanschrijver Atte Jongstra en essayist Henk Pröpper willen niet, zoals in Raster gebeurt, buitenlandse auteurs introduceren. Men vindt er dan ook zelden vertaald werk, wel beschouwingen over Proust en Yourcenar, over Gogol, Michaux, Strindberg, Rabelais - "echte Optima-auteurs'. Die essays, de toon ervan, de manier waarop vrijmoedig heen en weer gesprongen wordt tussen heden en verleden, het banale en het verhevene, ernst en humor, de dwaalwegen die erin af worden gelegd die zijn typerend voor Optima. “Wij zijn niet geïnteresseerd in een stuk waarin iemand gewoon uitlegt wat hij al wist voor hij ging schrijven,” zegt Jongstra. “Een goed essay is zoekend, je weet nog niet wat je denkt voor je de computer aan zet.”

Optima heeft zichzelf van een blad dat voornamelijk in boekwetenschap en bibliofilie geïnteresseerd was, veranderd in een serieus literair tijdschrift, waarin men zijn best doet om over ernstige dingen licht en met humor te schrijven. Ook oudere auteurs die daar van houden, zoals Willem Brakman en Em. Kummer, schrijven er geregeld in. Ondanks de betrekkelijk jeugdige redactie is het niet een blad waarin allerlei jong talent experimenteert. Dat levert Optima wel eens het verwijt op bedaagd te zijn. Anderen, onder wie de redacteuren zelf, vinden het juist prijzenswaardig dat de redactie getuigt van voorkeur en interesse zowel voor literatuur van lang geleden als voor spiksplinternieuwe.

Zo geven de redacties van deze tijdschriften blijk van hun eigen smaak, belangstelling en bewondering door zelf te schrijven en bepaalde auteurs om bijdragen te vragen - de commissie van het Produktiefonds legt een duidelijke voorkeur aan de dag voor tijdschriften die niet te veel kopij uit de post vissen maar die zelf hun nummers bedenken. Wie echter niet gevraagd kunnen worden, dat zijn debutanten. Debutanten dienen zich aan, en het is de kunst ze te herkennen tussen de stapels post en er tegelijk spaarzaam genoeg mee te zijn om een debutant te laten opvallen. Tegenwoordig is debuteren in tijdschriften weliswaar minder gebruikelijk dan vroeger, maar het gebeurt nog steeds.

Zowel Tirade als Optima hebben veel schrijvers en dichters een eerste gelegenheid gegeven. In Optima debuteerden onder anderen Margriet de Moor, Connie Palmen, Bas Heijne, Atte Jongstra en Henk Pröpper. Tirade ontdekte onlangs de dichteres Marieke Jonkman, eerder kwamen uit het blad Rogi Wieg en Kees Ruys voort. Raster doet niet zo aan debutanten, al is Dirk van Weelden er gedebuteerd en redacteur Cyrille Offermans er tot schrijven gekomen. “We zijn heel ongastvrij,” zegt de Raster-redactie. “Voor in het tijdschrift staat ook al: "ongevraagde bijdragen kunnen niet worden teruggestuurd'. ”

Leuk voor hun uitgever, De Bezige Bij. Wat heeft die er nu aan om zo'n duur tijdschrift uit te geven als het daarin niet wemelt van de toekomstige auteurs?

“Wij zijn trots op Raster,” zegt Erik Menkveld, redacteur van De Bezige Bij. “Het is als met een mooie roman, die wil je uitgeven, of dat nu iets oplevert of niet. Bovendien komen zo bijzondere buitenlandse dichters van wie je nog niet meteen een bundel kunt uitgeven, omdat dat nu eenmaal te duur is, toch al een beetje in ons fonds.”

Bij Van Oorschot denkt redacteur Gemma Nefkens er niet anders over. “Het gaat nu juist zo leuk met Tirade, we zouden wel gek zijn als we dat op zouden heffen. Je hebt door zo'n blad toch veel meer contact met schrijvers dan je anders zou hebben. Stel je voor, een leven zonder Tirade. Wat zou dat saai zijn.”

A-tijdschriften

Onlangs werd bekend welke literaire tijdschriften volgens een commissie ingesteld door het Literair Produktie- en Vertalingenfonds in aanmerking komen voor een verhoging van hun subsidie (A), welke gelijk blijven (B) en welke achteruit gaan (C). De verhoging van de subsidie betekent dat de komende drie jaar 80% van het tekort op de exploitatiekosten vergoed zal worden, de tijdschriften blijven dus nog steeds geld kosten. De zes tijdschriften die door de commissie, bestaande uit Andreas Burnier, Anthony Mertens, Doeschka Meijsing en Rudi van der Paardt, "uitzonderlijk goed' (A) werden bevonden zijn:

De Gids Uitg. Meulenhoff b.v. voor de stichting De Gids. 156ste jrg. Verschijnt 12 maal per jaar. Redactie: G. van Benthem van den Berg, Christel van Boheemen, Piet Calis, H.B.G. Casimir, Theodor Duquesnoy, Wiel Kusters, Monika van Paemel. Abb. ƒ105,- /jaar.

Literatuur Tijdschrift over Nederlandse letterkunde. Uitg. Amsterdam University Press. 10de jrg. Verschijnt 6 maal per jaar. Redactie: A.G.H. Anbeek van der Meijden, W. van den Berg, E.K. Grootes, F.P. van Oostrom, H. Pleij. Abb. ƒ65,- /jaar.

Lust & Gratie Uitg. Stichting "Lust en Gratie'. 10de jrg. Verschijnt 4 maal per jaar. Redactie: Ineke van Mourik, Robertine Romeny, Véronique Schomaker, Xandra Schutte. Abb. ƒ54,- /jaar.

Optima Uitg. Contact. 10de jrg. Verschijnt 4 maal per jaar. Redactie: Atte Jongstra, Henk Pröpper, Stephan Sanders, Michaël Zeeman. Abb. ƒ45,- /jaar.

Raster Uitg. De Bezige Bij. 26de jrg. Verschijnt 4 maal per jaar. Redactie: Cyrille Offermans, Nicolaas Matsier, Kees Nieuwenhuijzen, Willem van Toorn, Jacq Firmin Vogelaar. Geen abbonnementen.

Tirade Uitg. G.A. van Oorschot. 37ste jrg. Verschijnt 6 maal per jaar. Redactie: Robert Anker, Tomas Lieske en Willem Jan Otten . Abb. ƒ80,- /jaar.