Paarden op wielen en blikken kippen

Het is een rustige, grijze dag. Ik vind hem saai. Daarom ga ik op bezoek bij Couzijn Simon. Bij Couzijn is het leven anders. Het is een tintje gekleurder. En niet alleen omdat hij iedere zondag zijn snor knalrood verft.

Couzijn woont in een oude apotheek aan de Prinsengracht in Amsterdam. De apotheek is er niet meer, maar Couzijn heeft wel een winkel. Hij verkoopt schilderijen van de bekende schilder Anton Heijboer. Maar als je binnenkomt zie je vooral speelgoed staan. Dat verzamelt Couzijn. Hij heeft zijn verzameling zo mooi mogelijk uitgestald. In de kasten waar vroeger de potten met pillen en kruiden stonden, staan nu houten clowntjes, wiebelige koetsjes, paarden op wielen en blikken kippen.

Het speelgoed is heel oud. Zo oud, dat er honderd jaar geleden, soms wel tweehonderd jaar geleden, mee is gespeeld. “Ik vind speelgoed uit die tijd leuk,” vertelt Couzijn, “omdat het meestal miniatuurtjes zijn van spullen die toen in het echt ook werden gebruikt.” Als voorbeeld laat hij een houten wandkastje zien. Achter het schuifdeurtje staat een tinnen po. “Dat was vroeger de wc op de slaapkamer. In het groot dan, hè.”

De poppen die overal in de winkel zitten en staan, hebben grote mensen kleren aan. Bijna allemaal dragen ze een hoed of een kapje. Een enkeling is met gouden kleren uitgedost. “Kinderen leerden met die poppen hoe ze zich later zouden moeten kleden,” zegt Couzijn en hij wijst als voorbeeld een Zeeuws meisje aan. Ze draagt zwarte wollen rokken en een ingewikkelde muts. De stakker heeft geen knieën en ellebogen gekregen. Haar houten armen en benen steken recht naar voren. “Al het speelgoed uit die tijd is van hout, tin, blik of porselein. Plastic bestond in de vorige eeuw nog niet.” Fabrieken ook niet, het speelgoed werd met de hand gemaakt. Daarom zijn er soms maar een paar exemplaren van gemaakt. Dat maakt dit speelgoed zeldzaam. Couzijn heeft er lang naar gezocht op zolders en rommelmarkten.

Hij heeft een paar mooie kunstwerkjes van blik gevonden. Ze zijn heel precies met de hand gemaakt. Een opzichtig beschilderde tor heeft van zijn maker beweegbare vleugels gekregen. Een poesje heeft een muis in haar bek hangen.

Nieuwsgierig bekijk ik een soort autofiets met een deftige meneer erop. Achter hem staat een knechtje dat een parasolletje boven zijn hoofd houdt. “Hij doet het nog hoor,” zegt Couzijn en hij windt de fiets voorzichtig op. Bibberig fietst de meneer over de toonbank en komt met een schokje tot stilstand tegen een glazen pot met stuiters. De (echte) poes, die op de toonbank in slaap was gesukkeld, schuift verschrikt een eindje op en steekt haar tong uit. “Nee, dat doet ze altijd,” lacht Couzijn. “De poes is met een te klein bekje geboren. Haar tong past er niet in.” De poes kijkt hem droevig aan en smakt even met haar lippen, alsof ze ook wat wil zeggen.

Het is nog steeds een rustige dag. Maar ik vind hem niet meer saai.