"Morgen raast iemand binnen de 6.36'

HAMAR, 12 FEBR. Hans Erik Stadshaug zegt dat hij als jongetje al een schaatsfanaat was. In het begin van de jaren vijftig keek de Noor vanaf de kille tribunes vol bewondering naar de helden op het ijs. En hij was geen chauvinist, die enkel oog had voor de verrichtingen van zijn landgenoten. Dat kan hij ook nog bewijzen. In de werkkamer van Stadshaug, thans directeur van het Vikingschip, de nieuwe olympische hal in Hamar, hangt een ingelijste, enigszins vergeelde foto van Kees Broekman. Trots wijst hij op de tekst, eigenhandig op het portret geschreven door de toenmalige Nederlandse vedette: Het allerbeste, Kees Broekman. “Ik heb met die schaatsster altijd contact gehouden”, vertelt Stadshaug, “drie maanden voor hij in 1992 overleed, was hij nog bij me thuis.”

Het komende weekeinde is Stadshaug de gastheer van het toernooi om de wereldtitel der allrounders. Hij voorspelt vuurwerk. “Sinds deze baan op 19 december jongstleden officieel open ging hebben zeshonderd rijders en rijdsters hier hun beste persoonlijke prestatie verbeterd”, grijnst de veertiger. “En acht Noorse toptijden gingen hier inmiddels aan flarden. Luister goed: zaterdag volgt er een wereldrecord op de vijf kilometer. Ik ben daar heilig van overtuigd.” Hij wijst erop dat de voortekenen bijzonder goed zijn. Haalde Johann Olav Koss bij de interland Noorwegen-Nederland - de eerste wedstrijd in het Vikingschip - op de 5.000 meter niet tien seconden van de Noorse toptijd af? En dat nota bene op vuil ijs, als gevolg van de bouw en een televisieshow?

Prijkt er morgen geen wereldrecord op het scorebord en gebeurt dat over twaalf maanden bij de olympische schaatswedstrijden in dezelfde hal wederom niet, dan heeft Stadshaug naar zijn zeggen een groot probleem. “In dat geval moeten we als ontwerpers en bouwers in de spiegel kijken en durven bekennen: jammer maar helaas, we hebben het niet goed gedaan. We hebben niet de optimale omstandigheden voor de schaatsers kunnen creëren.” Vooralsnog kent zijn optimisme geen grenzen, mits de klimatologische omstandigheden meewerken. “Kijk”, legt Stadshaug uit, “als de temperatuur zes graden boven nul is en het regent, dan brengen de natte toeschouwers zo veel water mee naar binnen dat het vochtgehalte te hoog wordt, hetgeen de tijden nadelig beïnvloedt. Maar is het, zoals nu, vijf graden onder het vriespunt en breekt de zon door dan krijgen de rijders dank zij het perfecte ventilatiesyteem constant nieuwe verse lucht, zonder dat ze ook maar de minste last van het warme publiek hebben. De piste? Uw expert Bertus Butter heeft onze ijsmeesters uitgebreid les gegeven, ik denk dat ze hun werk nu geheel zonder hem aankunnen.”

In vergelijking met de Thialfhal in Heerenveen en the Olympic Oval van Calgary, de twee andere schaatstempels in de wereld, oogt het Vikingschip veel mooier. Het is een prachtig kunstwerk, of “een architectonisch monument”, zoals Stadshaug het graag uitdrukt. “Zet je het naast Thialf, dan zie je ook andere opvallende verschillen”, meent hij. “Wij hebben beter licht en welk ander ijsstadion laat zich ook gebruiken voor voetbal, atletiek, golf, skiën, wielrennen en paardesport? En er kunnen ook nog eens congressen worden gehouden.”

Maar Stadshaug is ook wel eens jaloers op Thialf, “want Heerenveen heeft het beste publiek. Dat zweept de schaatsers op, of ze nu uit Nederland, Noorwegen of Italië komen. De rijders voelen dat. Ik weet dat van Koss en Geir Karlstad. De mensen op de banken zijn super-belangrijk. In Calgary staan maar aan één kant van de hal tribunes. Koss en Karlstad klagen daarover, op dat stuk baan hebben ze het moeilijker, want daar horen ze geen aanmoedigingen.” Het Vikingschip is morgen en zondag uitverkocht - elke dag zitten er 13.000 supporters. De kaartjes waren acht maanden geleden al weg en 20.000 mensen moesten worden teleurgesteld. Stadshaug: “Er komen enerzijds mensen die gewoon nieuwsgierig zijn. Ze willen wel eens zien hoe dat allemaal gaat, zo'n groot sportspektakel in een hal. En anderzijds zijn er de echte schaatsfans. Die laatste groep is in Noorwegen sterk gegroeid, met name door de nationale successen bij de Olympische Spelen in Albertville.”

Hij zegt er zeker van te zijn dat de Noren redelijk objectief zijn, “ze klappen zoals bij het skiën en de cross country voor de besten. Ik weet dat trouwens uit ervaring. Toen Hein Vergeer in 1985 wereldkampioen werd in Hamar heb ik me voor hem schor geschreewd op de tribunes, temidden van talloze landgenoten die hetzelfde deden. Bovendien, Hamar heeft iets speciaals met Nederlanders.”

Dat laatste blijkt ook uit het pas verschenen boek Hamar, a tradition of skating van Atle Naess. De schrijver verhaalt daarin over de wereldberoemde schaatser-wielrenner Jaap Eden, die in 1894 voor het Europese kampioenschap naar het Noorse stadje was gekomen. Eden verscheen echter tot ieders verrassing niet aan de start op de eerste twee onderdelen, de 500 en 1500 meter, omdat hij - naar later bleek - verliefd was geworden op een kamermeisje van het plaatselijke hotel Victoria. De Nederlander was uiteraard meteen kansloos voor de titel maar kwam, op aandringen van dezelfde dame, wel in actie op de vijf kilometer. Nadat de Noor Einar Halvorsen een ongelooflijke 8.39,6 noteerde, brak Eden dat wereldrecord prompt met een tijd van 8.37,6. Negenennegentig jaar later is Johann Olav Koss, 's werelds nummer één op deze afstand, met 6.38,77 nog nèt geen twee minuten sneller dan Eden. Maar dàt gaat veranderen, herhaalt directeur Hans Erik Stadshaug van het Vikingschip: “Morgen raast iemand hier de vijf kilometer af binnen de 6.36 rond. Wedden dat ik gelijk krijg?”