Monumenten

Het artikel van Roelof van Gelder en Geert Mak in het CS van 5 februari "Tussen Anton Pieck en de bulldozer' is een schitterend pleidooi om consoliderend herstel nu eens tot kernactiviteit van de monumentenzorg te maken.

Toch is het niet juist om de soms verregaande restauratiepraktijken of (her)bouwactiviteiten slechts te beschouwen als een soort geschiedvervalsing. Een tegenvoorbeeld wordt door de schrijvers zelf al genoemd. De houten draagconstructie van het pand Oude Niezel 22 in Amsterdam was dusdanig aangetast dat de restauratie herbouw betekende. Had men dan beter toevlucht kunnen nemen tot "eigentijdse' nieuwbouw? Wat mij betreft niet.

Is het ook niet zo dat facadearchitectuur zoals op het Kattenburgerplein in Amsterdam voor een gering deel goed moet maken wat in de jaren zestig dit deel van de stad is aangedaan? Toen is namelijk de voor een groot deel uit de zeventiende en achttiende eeuw stammende bebouwing gesloopt om plaats te maken voor bedrijfsactiviteiten die er uiteindelijk nooit gekomen zijn. In de jaren zeventig heeft men er maar naargeestige grindbetonnen galerijflats neergezet. Kattenburg is zeker niet uniek. Wie eens in Dordrecht gaat kijken slaat de schrik om het hart.

Overigens is het geringe historische besef inderdaad, zoals Van Gelder en Mak menen, de voornaamste oorzaak van de ongenteresseerdheid waarmee met het historisch erfgoed wordt omgesprongen. Pas als het economisch belang evident aanwezig is in de vorm van toerisme is de zorg voor de oude bebouwing navenant.

In een land als Italië is geschiedenis een gentegreerd onderdeel van het leven. Kunstgeschiedenis is een verplicht vak op middelbare scholen. Het adagium van vele Nederlandse stadsbestuurders dat 'de stad geen museum mag worden' zal bij de Italianen geen weerklank vinden omdat voor hen geen sprake is van een dichotomie. Wanneer leert de Nederlander het verleden op zijn eigen waarde te schatten?