Laten we blij zijn met lastige Eerste Kamer

Wat is er toch aan de hand met de Eerste Kamer? Ooit stond zij bekend als een ingetogen college van vrijwel onbezoldigde nette heren, die hun sporen in het leven ruimschoots hadden verdiend en verder nauwelijks nog ambities vertoonden. Van de politieke rechten waarover zij beschikten, gebruikten zij doorgaans uitsluitend het vetorecht en dat dan nog mondjesmaat. De Eerste Kamer was nog niet zo lang geleden een democratisch ornament, een instelling waar zelden iets opzienbarends gebeurde. Er waren toen nogal wat mensen van mening dat het een min of meer overbodig instituut was geworden en dat de daar geleverde commentaren en beschouwingen net zo goed door de Tweede Kamer konden worden gefabriceerd.

Aan deze geringschatting voor de Eerste Kamer is nu wel een eind gekomen. Het doetje van onze democratie zorgt sedert enige tijd herhaaldelijk voor opinies en standpunten die in politieke kring irritatie en zelfs opschudding teweeg brengen. De Eerste Kamer is eigenwijs geworden, zo niet eigengereid. Niet voor niets opperde Deetman destijds het lumineuze plan om de senaat zijn vetorecht te ontnemen. Ongetwijfeld zou dat het begin van het einde zijn geweest.

Vanwaar eigenlijk al deze commotie? Men kan toch moeilijk beweren dat de Eerste Kamer zich schuldig maakt aan corruptie, samenzwering tegen het wettig gezag of andere vormen van onrechtmatig gedrag. Wat kan men deze senatoren eigenlijk aanrekenen? Dat zij eindelijk eens van hun rechten gebruik maken?

Voor de burger is er inderdaad een vreemd schouwspel aan de gang. Terwijl de meerderheid van de Tweede Kamer, in innige verstrengeling met het kabinet, een soort groezelige eenheidsmacht overeind probeert te houden, waar geen kiezer nog raad mee weet, komen nu uit de Eerste Kamer met een zekere regelmaat onafhankelijke, kritische geluiden waarover het Haagse partijenkartel zich vervolgens enorm opwindt. De Eerste Kamer als zorgenkind, als enfant terrible, als lastpak van de eerste rang. Het is eigenlijk te mooi om waar te zijn. De Senaat als actiecomité, zo luidde de titel van een hoofdartikel onlangs in deze krant (4-2-93), waarin de Eerste Kamer, “toch al een discutabel instituut”, dringend tot “een zekere terughoudendheid” werd gemaand. De politieke klasse, waartoe de Eerste Kamer als hoog college van staat zeker in deze fase niet valt te rekenen, zal dat artikel ongetwijfeld met grote instemming hebben gelezen.

Wat is er aan de hand? Zoals bekend is de onvrede met de vrijwel beginselloze partijdemocratie, zowel in ons land als daarbuiten, de laatste jaren krachtig toegenomen. Vaak blijft die kritiek beperkt tot wat hoon of diffuus venijn, maar meer en meer neemt deze ook gearticuleerde vormen aan. Daarbij wordt het politiek bedrijf niet zozeer beoordeeld met partijpolitieke normen, die overigens nauwelijks nog bestaan, maar met beginselen die worden ontleend aan de democratische grondrechten. In dit soort fundamentele kritiek, waarmee president Weizsäcker afgelopen zomer nog de Duitse partijdemocratie aan de kaak stelde, gaat het in de eerste plaats om het ingeslopen bederf van de democratie, om de verslonzing van democratische beginselen en procedures. Van dit soort kritiek zijn onze beroepspolitici in het algemeen weinig gecharmeerd. Hun beroepsopvattingen hebben doorgaans een heel ander karakter. Beginselen, zo lijken zij vaak te denken, dat is een hobby voor buitenstaanders, voor politieke amateurs, voor kranteschrijvers en andere spelbrekers.

Nu blijkt echter ineens dat ook leden van een respectabel staatslichaam als de Eerste Kamer, van wie het lid Kaland wel het ergste wordt gevonden, zich de rol van "politiek amateur' te hebben aangemeten. Deze "amateurs' beschikken bovendien over een niet geringe politieke macht en blijken vaak moeilijk manipuleerbaar. Daarnaast doet zich het niet onbelangrijke verschijnsel voor dat er nogal wat burgers zijn die in de duidelijke taal van deze senatoren iets lijken te herkennen van het politiek fatsoen waarnaar zij tevergeefs hadden uitgezien. De Eerste Kamer, zo lijken zij te menen, doet eindelijk die dingen waartoe de Tweede Kamer niet meer in staat is.

Nu wil ik allerminst beweren dat deze "lastige' leden van de Eerste Kamer zonder meer beginselpolitici zijn. Daarvoor zijn de politieke bindingen te sterk en is hun politiek benul te goed ontwikkeld. Het is ook de vraag hoe lang zij dit allemaal zullen volhouden en wat er eventueel tegen dit "actiecomité' zal worden beraamd. Maar dat hier meer aan de hand is dan een incident, lijkt steeds duidelijker te worden. Laten we blij zijn dat deze oppositie, die zo dringend nodig is, van "boven' komt en niet van de kant van een of andere sinistere ressentimentspartij die ook eens een kansje wil wagen.