Irak, rijk aan olie maar straatarm

Irak heeft drie rivieren, is het gezegde in Bagdad: de Eufraat, de Tigris en de olie. Saddam Hussein kampt met een lamgeslagen en gesoleerde economie die slechts door staatssubsidies kan overleven. Irak is rijk door zijn oliereserves, maar tegelijk arm omdat Saddam weigert olie te verkopen.

“We hebben dringend geld nodig om onze olie-industrie verder te herstellen en te verbeteren, en om voedsel en medicijnen aan te kopen.” Deze hartekreet komt van Faiz Abdullah Al-Shahin, onderminister voor oliezaken in Bagdad. “Het Westen probeert met het embargo van de Verenigde Naties onze industrie te vernietigen. We hebben vijf fabrieken die medicijnen kunnen maken, die vóór de Golfoorlog zelfs op ruime schaal exporteerden, maar al twee jaar lang mogen we zelfs geen grondstoffen voor medicijnen importeren.”

Irak had vóór de Golfoorlog een ruime voorraad onderdelen en hulpmiddelen uit het buitenland voor zijn industrie, oliewinning en olieraffinage, maar die voorraad raakt uitgeput. Het VN-embargo veroorzaakt niet alleen directe armoede en voedselschaarste, ook de industrie heeft er zwaar onder te lijden. Olie, verreweg de belangrijkste inkomstenbron van het land, vertegenwoordigt een rijke reserve, maar op dit moment niet meer dan dat. Want de Iraakse machthebbers blijven weigeren onder de strenge voorwaarden van de Verenigde Naties een deel van hun olie te gelde te maken.

Alle betalingen moeten via de VN lopen, 30 procent van de opbrengst dient te worden bestemd voor herstel van de oorlogsschade in Koeweit, vervolgens gaat er nog een bedrag af voor de kosten van de VN-inspecties in Irak, en de VN controleren verder de aankopen van voedsel en medicijnen uit het resterende deel. Irak vindt dat het veel te veel van de opbrengst moet afstaan en beschouwt de VN-controle bovendien als vernederend en een aantasting van zijn souvereiniteit over eigen grondstoffen. “Wij menen ook dat we niet voor alle oorlogsschade hoeven op te draaien. Het Westen betaalt onze schade toch ook niet?”, zegt een topambtenaar in Bagdad.

Twee jaar na de oorlog draaien de tien raffinaderijen in het land, die bijna allemaal zwaar werden beschadigd door de geallieerde bombardementen, bijna weer op volle kracht. Per dag worden 590.000 vaten ruwe olie verwerkt tot brandstoffen, louter voor binnenlands gebruik. Vóór 2 augustus 1990, de dag waarop de Iraakse troepen Koeweit binnenvielen, was de produktie van de raffinaderijen 650.000 vaten en werden op bescheiden schaal brandstoffen geëxporteerd.

Direct na het bestand van 27 februari 1991 tussen generaal Norman Schwarzkopf en de Irakezen werd in Bagdad "de hoogste prioriteit' toegekend aan het herstel van de brandstofproduktie. Drieduizend werknemers uit de industrie en de oliesector werden in ploegendiensten ingezet op de raffinaderij bij Daura, 20 kilometer ten zuidwesten van de hoofdstad. Die was het eerst aan de beurt, omdat de hoofdstad weer snel van benzine moest worden voorzien, en de nabijgelegen elektriciteitscentrales van stookolie. "Kleermakerstechniek' noemen de olie-ingenieurs de methode die ze toepasten: al het nog bruikbare pijp- en plaatwerk en onderdelen werden weer aan elkaar gelast en aangevuld met stukken die door het "kannibaliseren' van vernielde installaties waren verkregen. Foto's en maquettes, opgesteld in een museum aan de Tigris in Bagdad, geven een compleet beeld van deze gigantische klus. Sinds juni 1992 werken de installaties in Daura weer op volle kracht, en een half jaar later waren ook de grote raffinaderijen in Beji bij Kirkuk in het noorden en in het zuidelijke Basra hersteld.

De benzine die ze leveren, zorgt voor walmende en slecht optrekkende auto's in de steden, want het octaangehalte is veel te laag bij gebrek aan voldoende chemicaliën en toevoegingen bij het raffinageproces. Die stoffen importeerde Irak altijd voor het grootste deel uit het buitenland. Ook aan onderdelen bestaat een groot gebrek. Talloze auto's en zware voertuigen rijden met gladde banden of staan kapot langs de weg, onderhoud is zeer gebrekkig en bijna onbetaalbaar.

Pag 12: Internationaal embargo dwingt Irak tot grotere zelfvoorziening; "Na opheffing van het embargo zullen we heel anders omgaan met de buitenlandse concerns'

Iraqi Airways, de nationale luchtvaartmaatschappij, klaagt steen en been over het vliegverbod in het eigen luchtruim en naar het buitenland. Op de vliegvelden in Irak en bij Amman, de Jordaanse hoofdstad, staan de toestellen werkeloos te wachten op betere tijden. Stilstand is zeker voor een vliegtuig achteruitgang. Vlak vóór de Golfoorlog is een aantal kostbare nieuwe Boeings naar Iran overgevlogen, waar ze door de aartsvijand van Irak in beslag zijn genomen. Piloten en ander vliegend personeel missen hun noodzakelijke training.

Eén industrie in Irak werkt zichtbaar op volle toeren: de kolossale cementfabrieken, die ervoor zorgen dat de herbouw van kantoren en betonconstructies, gefinancierd door de overheid, kan doorgaan. Daarmee slaagt de regering erin het proces van afbrokkelende werkgelegenheid te vertragen en vele arbeiders aan inkomen te helpen. Aan de rand van Bagdad wordt bij voorbeeld dagelijks hard gewerkt aan de constructie van een enorm werk: de nieuwe Saddam-brug over de Tigris die twee brugdekken boven elkaar moet gaan omvatten. Tegelijk worden wapenfabrieken, welke Irak van de Verenigde Naties niet mag handhaven, omgebouwd tot een civiele industrie die een groot aantal machines en onderdelen voor de olie- en gasindustrie produceert.

Irak doet niet zonder succes pogingen zoveel mogelijk zelfvoorzienend te worden. “Dat is één voordeel van deze moeilijke situatie, een geluk bij het ongeluk van het verstikkende embargo”, zegt een ambtenaar. Hij citeert een strofe uit de Koran: “Je haat iets, dat niettemin goed voor je is.”

Onderminister Al-Shahin noemt ook de "miljarden dinars' aan subsidie voor de boeren, waarmee de landbouwsector wordt opgepept, en tegelijkertijd de voedseldistributie die gepaard gaat met kunstmatig lage consumentenprijzen voor de eerste levensbehoeften. Dat levert een enorme inflatie op, erkent hij, want de bankbiljettenpers zorgt voor het merendeel van het benodigde geld. Daar staat heel weinig produktie tegenover. Zolang de olie-export niet wordt hervat, kan de Iraakse industrie zich niet herstellen. Het land kan geen leningen meer aangaan, noch de belastingen verhogen.

Voedsel, vee, kleding en andere eerste levensbehoeften bereiken het geïsoleerde Irak mondjesmaat, met goedkeuring van de Verenigde Naties, via de buurlanden Jordanië en Turkije. Dagelijks passeren volgeladen vrachtauto's vanuit de Jordaanse hoofdstad Amman de Iraakse grens, waar ze aan een nauwkeurige douane-inspectie worden onderworpen. In omgekeerde richting rijden Iraakse tankauto's die met goedvinden van de VN olie naar Jordanië brengen. Scherpe Amerikaanse kritiek op de ontduiking van het embargo door Jordaanse handelaren heeft de inspectie verzwaard en dat heeft inmiddels geleid tot een verlegging van een groot deel van de handel naar Turkije, via smokkelroutes in het noordelijke grensgebied.

Volgens bronnen in Amman heeft Jordanië de afgelopen twee jaar voor een waarde van 4,5 miljard dollar aan handel met Irak verloren. “De Turken hebben nu het grootste deel van de handel”, zegt een diplomaat. Volgens Kees Roele, de Nederlandse Landbouwraad in Ankara, zijn er geen harde aanwijzingen voor de Turkse handel of smokkel, maar opvallend noemt hij dat de prijzen voor groenten en fruit in Turkije de laatste weken flink omhoog zijn gegaan. “Die produkten kunnen naar Syrië of Irak gaan. Syrië zit niet om extra voedsel te springen en daaruit kun je afleiden dat een fors deel over de grens naar Irak verdwijnt.”

Volgens een recent rapport van het Amerikaanse ministerie van defensie over de gevolgen van het embargo zou Irak met de export van olie naar Jordanië, bedoeld als terugbetaling van oude schulden aan dat land, en met de smokkel van olie en brandstoffen naar Turkije, het afgelopen jaar 350 tot 500 miljoen dollar hebben verdiend. Daarmee zou een aanzienlijke import van voedsel en goederen worden betaald.

Niettemin tracht het regime in Bagdad de nieuwe Amerikaanse regering nu te paaien met veel woorden en concessies, maar volgens Pentagon en CIA wordt dagelijks bewezen dat die nog te weinig waard zijn. De Iraakse opzet is een klimaat te scheppen waarin de sancties van de VN kunnen worden verzacht en liefst geheel opgeheven. Belangrijkste doel van de Irakezen is een hervatting van de olie-export, de levensader van het land, die in 1988 nog zorgde voor 99,1 procent van de inkomsten uit verkopen aan het buitenland. Sinds augustus 1990 heeft Irak bijna 50 miljard dollar aan verdiensten verloren door het embargo, zo valt uit ramingen van Opec, de organisatie van olie exporterende landen, af te leiden.

“We hebben grote plannen, onze velden zijn intact”, zegt directeur-generaal exploratie dr. R.H. Al-Saadi van het ministerie voor oliezaken in Bagdad. “Alleen bovengrondse installaties zijn in de Golfoorlog beschadigd en alweer voor een groot deel gerepareerd. Onze produktiecapaciteit bedraagt nu 2 miljoen vaten per dag. Die willen we zo snel mogelijk verhogen tot 3 miljoen, maar daarvoor hebben we complexe apparatuur nodig uit het buitenland. We werken aan plannen om de produktiecapaciteit naar 6 miljoen vaten per dag op te voeren.”

Al-Saadi verzekert dat bij normalisering van de situatie in zijn land niet alleen elk vat geproduceerde olie door nieuw gevonden reserves kan worden vervangen, maar dat de reserves nog sneller zullen toenemen. “Zelfs bij een produktie van 6 miljoen vaten per dag. Onze officiële bewezen reserves zijn nu 100,5 miljard vaten, genoeg voor meer dan een eeuw produktie op het niveau van 1990. We denken de bewezen reserve te kunnen verdubbelen, met nieuwe velden in het noordwesten, tegen de grens met Syrië en in het zuiden.”

Andere experts van het ministerie zijn wat voorzichtiger. Maar duidelijk is dat Irak zijn positie als tweede olie-exporteur ter wereld kan waarmaken als de politici in Bagdad willen meewerken door niet langer de uitvoering van VN-resoluties over Irak te traineren. Volgens een recente studie van het gerenommeerde effectenhuis Goldman Sachs zullen de Oeso-landen het voor hun olievoorziening op termijn niet zonder de Iraakse olievelden kunnen stellen, omdat de Opec-landen hun produktiecapaciteit nu al tot een recordhoogte van 93,4 procent benutten. In 1985 was dat nog maar 50 procent. De wereld zal, of dat nu aantrekkelijk is of niet, nog sterker afhankelijk worden van het roerige Midden-Oosten.

Ook buiten de twee traditionele "olieprovincies' van Irak, Kirkuk in het noorden en Basra in het zuiden, zijn door seismisch en geografisch onderzoek "nieuwe, perspectiefrijke gebieden' ontdekt. Mahmoud H. Al-Fayadh, een olie-ingenieur die zijn diploma's in de Verenigde Staten en Engeland heeft gehaald en bij Shell in Nederland aanvullende trainingen kreeg, is directeur van de Iraq Drilling Company, de maatschappij die in opdracht van het ministerie alle boringen verricht. Hij heeft nog onlangs een succesvolle boring in een nieuw veld tegen de grens met Syrië afgerond, maar wordt nu bij zijn exploratiewerk geremd. “Onze voorraad machine-onderdelen is vrijwel uitgeput. We willen nog wel meer boren, maar we kunnen niet veel meer doen, we zijn afhankelijk van spullen uit het buitenland. Die zijn aangekocht, ze liggen overal klaar, ook aan de haven in Rotterdam en op Schiphol, maar door het embargo kun we er niet aankomen.”

“In Irak kun je bijna niet mis boren”, zegt Al-Fayadh, puttend uit een lange ervaring. “Statistisch bevatten hier twee op elke drie seismisch gevonden geologische structuren waarvan je iets mag verwachten ook werkelijk olie- of gasvoorkomens.”

De Iraakse oliespecialisten spelen driftig mee in het politieke spel van de regering, op het brutale af. Buitenlandse oliemaatschappijen moeten druk uitoefenen op hun regeringen, zeggen ze, dat zal helpen om het embargo tegen Irak op te heffen. Trots maakt directeur-generaal Al-Saadi (exploratie) melding van gesprekken die hij voert met de Franse maatschappijen Total en Elf. “Verrassend vind ik het dat Shell, waarmee we veel zaken hebben gedaan, nog geen contacten wil. Ik heb ze veel telexen gestuurd, maar no response.”

Al-Saadi weet uit zijn contacten dat de Verenigde Staten “geen kansen willen geven aan Europese concerns in Irak, zij willen hun bedrijven aan de bak hebben zodra het embargo is opgeheven. Het moet duidelijk zijn dat, wat ons betreft, Europese bedrijven een gelijke uitgangspositie hebben. Maar Europa dreigt achteraan te komen. We hebben het over een strategische grondstof waarover de VS steeds meer controle willen. Wat ons betreft, zullen bedrijven die nu al contacten met ons leggen worden bevoordeeld. A friend in need is a friend indeed.”

Ook dr. Faleh H.M. Al-Khayat, directeur van de staatsmaatschappij voor olieprojecten, onderstreept de noodzaak van hulp van buitenlandse concerns in Irak. Behalve in de oliewinning ziet hij een grote toekomst voor Irak in de aardgasproduktie, waarvoor eveneens apparatuur nodig is die het land zelf nog niet kan bouwen. “En we hebben veel olie-opslagcapaciteit verloren, we streven naar vervanging van zo'n 1,5 miljoen kubieke meter aan tankopslag.”

Van de snelle wederopbouw van de olie-industrie heeft het land veel geleerd, meent hij. “De managers zijn achter hun bureaus vandaan gekomen, ze lieten zien wat ze kunnen.” Maar sommige herbouwde olie-installaties, zoals de raffinaderij in Daura, zien er nog niet bijster professioneel uit. Er is geen pijp of afsluiter waar geen stoom uit lekt. Al-Khayat geeft toe dat nog veel inspanningen nodig zijn om de kwaliteit van vóór de Golfcrisis te herstellen. Maar het zelfvertrouwen van de Iraakse ingenieurs is door de crisis gesterkt, meent hij. “Na opheffing van het embargo zullen we heel anders omgaan met de buitenlandse concerns: Iraakse ingenieurs zullen de kennis van de buitenlandse concerns gebruiken en ze zullen het werk op zo'n manier leiden dat er optimale resultaten en voordelen voor de Iraakse bevolking uit voortvloeien. Ze zullen voor ons werken, in plaats van wij voor hen.”