Intellectueel tennissen zonder net; Wim Kayzer en de exacte wetenschappen

In het boek "Een schitterend ongeluk', waarin de discussie van zes geleerden bijeengebracht door Wim Kayzer is afgedrukt, staan verrassende en kluchtige passages. Vooral de biochemicus Rupert Sheldrake, die het mysterie prefereert boven de oplossing, prikkelt zijn opponenten tot schitterende beelden en vergelijkingen. Het boek biedt nog een voordeel: “In een boek hoor je tenminste die stem van Kayzer niet.”

Wim Kayzer: Een schitterend ongeluk. Uitg. Contact, 432 blz. Prijs ƒ 49,90

Lezen is beter dan televisiekijken: Een schitterend ongeluk is in boekvorm weliswaar nog steeds een natte voetzoeker, maar het viel me toch boven verwachting mee. Zelfs Wim Kayzer, die mij op de televisie na een poosje zo intens op de zenuwen werkte dat ik het geluid afzette wanneer hij weer aan een van zijn bespiegelingen begon, kan nu wat mij betreft in aanmerking komen voor gratie (levenslang inplaats van radbraken): hij heeft die zes fenomenen (Daniel Dennett, Freeman Dyson, Stephen J. Gould, Oliver Sacks, Rupert Sheldrake en Stephen Toulmin) toch tenminste bij elkaar weten te krijgen. Het verschil is niet alleen dat je eenvoudig kunt overslaan wat je niet zint, maar vooral: in een boek hoor je tenminste die stem niet. Dat dagsluiters-Engels, die pauzes tussen de woorden, herinnerend aan Slymering (Brest van Kempen), waar Multatuli zich zo aan ergerde ("Omdat. Hij. Het. Zo. Druk. Had.') - in boekvorm is dat tenminste onhoorbaar. Het verschijnsel dat je, zoals met sommige goede schrijvers, in een tekst zijn stemgeluid kunt horen is hier gelukkig niet van toepassing.

Overigens is blijkbaar ook het meeste van die onbenullige monologen geschrapt - en ook, zo heb ik de indruk, veel van dat gewetensvolle doorvragen over de Grote Misdaden tegen de Mensheid. Omgekeerd zijn aan de boekvorm ook een paar specifieke ergernissen verbonden; een ervan is dat het boek onderaan blz. 432 abrupt ophoudt, alsof het papier op was en ze er toen in hemelsnaam het omslag maar om hebben gedaan. Geen register, geen bibliografie, zelfs een overzicht van de voornaamste boekpublikaties van de deelnemers ontbreekt. De teksten maken de indruk zonder enige kennis van de natuurkunde te zijn vertaald en geredigeerd ("Holdane', "het centrum van zwaartekracht van een voorwerp') en een ander eigenaardig probleem is de vertaling van het woord "you': in de interviews wordt dat correct weergegeven door Kayzer "u' te laten zeggen, maar wanneer op 't eind alle deelnemers bij elkaar zitten blijkt hij op "je' en "jij' te zijn overgeschakeld ("En jij Rupert, wat is jouw hartstocht?'), iets dat opgeteld bij andere parmantigheden de indruk wekt dat Kayzer zich het zevende lid van de geleerde zesvuldigheid waant.

Misschien komt het doordat je minder wordt afgeleid door bijkomstigheden, misschien doordat de teksten vollediger zijn, misschien doordat je gelegenheid krijgt om te stoppen en na te denken, maar het is zeker dat sommige discussies in de boekversie beter tot hun recht komen en ook voor wie de televisieserie gezien heeft verrassende passages bevatten. En ook een aantal zeer kluchtige, vallend onder wat Dennett omschrijft als "intellectueel tennissen zonder net'. Deze zijn voornamelijk te danken aan Rupert Sheldrake, wiens rol nog het best is te omschrijven als de Simon Vinkenoog van het gezelschap. Dit mag en passant illustreren dat ook een wetenschappelijke opleiding (Sheldrake is biochemicus) iemand niet belet het mysterie te prefereren boven de oplossing wanneer hem dat in het bloed zit. Die wetenschappelijke opleiding stelt hem in staat de kerstboom nog mooier te versieren dan een ander zou hebben gekund, maar het blijft een kerstboom.

Fee

Als je leest dat iemand zijn zoon Cosmo heeft genoemd ("mijn zoon van vier is bijvoorbeeld buitengewoon telepathisch'), moleculaire verschijnselen beschrijft als "een dans' en spreekt over "vibrerende structuren', dan weet je al welke fee aan zijn wieg heeft gestaan en er is geen kruid tegen gewassen. Het is boeiend om te zien hoe drie of vier van de meest briljante geleerden ter wereld op hem inpraten, waarbij zij hem op een nogal vertederende manier telkens bij zijn voornaam noemen en beurtelings de meest schitterende vergelijkingen bedenken om hem duidelijk te maken waar hij de mist in gaat; het is allemaal vergeefs. Zo ontwikkelt zich een heel vuurwerk wanneer Sheldrake aankomt met de hypothese dat de zon wel eens een bewustzijn zou kunnen hebben: zijn er niet electromagnetische activiteiten "zat' (O, vertalers!) op de zon? Dennett verzint à l'improviste een amusante analogie: bomen hebben nooit ogen ontwikkeld omdat ze geen voeten hebben: "bomen met ogen zouden alleen maar wanhopig zijn omdat ze niet weg kunnen rennen wanneer ze zien dat er gevaar dreigt': waartoe iets veronderstellen dat geen voorstelbare raison d'être heeft? Of, zoals Gould zei, zolang er geen manier is om met de zon te praten heeft het geen zin er over na te denken.

Sheldrake is niet te overtuigen maar helemaal zinloos zijn zulke polemieken toch niet, omdat het de anderen ertoe brengt onverwachte en verhelderende toelichtingen te geven over hun eigen opvattingen. Zo verweet Sheldrake Dennett om de drie zinnen dat hij organen zoals het brein hardnekkig met machines blijft vergelijken, waarop dan een fraai betoog volgt van Dennett over "wonder tissue', het "wonderweefsel' dat onderzoekers bij grote theoretische projecten op een zeker punt altijd postuleren om zich uit een bepaald type moeilijkheid te redden. "Een verbod op het postuleren van zoiets als wonderweefsel, dat is wat ik eigenlijk bedoel wanneer ik een term zoals machine gebruik.'

Maar een van de interessantste onderdelen van het symposion is de vrij lange discussie veroorzaakt door Sheldrakes twijfel aan de onveranderlijkheid van de natuurwetten, samenhangend met zijn veronderstelling dat er in de natuur geen sprake zou zijn van natuurwetten maar van "gewoontes' die niet volkomen vastliggen. Toen ik hem dat in de uitzending aan Kayzer hoorde vertellen vroeg ik me al met de nodige frustratie af waarom Kayzer niet als tegenvoorbeeld de priemgetallen noemde: moest je je voorstellen dat die "vroeger' wel delers hadden gehad en pas over de jaren langzamerhand de "gewoonte' hadden ontwikkeld om ondeelbaar te zijn? Zulke frustraties waren er overigens "zat': het bloed stond al in je handpalmen bij de vragen die Kayzer stelde, maar nog erger was dat hij andere vragen niet stelde. Gelukkig kwam dit onderwerp ook tijdens het symposion weer ter sprake, waarop Dennett aankwam met de verlossende woorden: "Verkrijgen rechthoekige driehoeken volgens jou alleen maar geleidelijk de gewoonte dat het kwadraat van hun hypotenusa gelijk is aan de som van de kwadraten van de andere twee zijden'?

Sheldrake is ook niet de eerste de beste en ontweek het antwoord door te verwijzen naar de oude vraag of wiskunde bestaat uit ontdekkingen (Platonisme) of bedenksels, een kwestie die daarna helaas niet verder werd uitgediept. Maar niettemin was het een fascinerende discussie en zo waren er nog een paar, zoals over het befaamde raadsel: "waar in de hersenen zitten al die prachtige details', met het antwoord: niet in de hersenen maar in de buitenwereld. Dennets uitleg is als gevolg van het weerwerk en de aanvullingen van de anderen anders en misschien zelfs verhelderender dan in zijn eigen boek.

Alles bij elkaar hadden er beter zes van die symposia kunnen zijn inplaats van de individuele interviews, waarin dat weerwerk ontbreekt; vooral bij Sheldrake, Dennett en Dyson was dat bepaald pijnlijk. Toevallig werd op de Maandagavond na het symposion een aflevering uitgezonden van het BBC-programma Horizon, gewijd aan Richard Feynman, en daar was opeens dezelfde Freeman Dyson, die in het programma van Kayzer iets had van een in zijn winterslaap gestoorde sphinx, een tegen zijn zin naar buiten gesleepte bewoner van het reptielenhuis; nu was hij iemand anders, levendig sprekend, onderhoudend, gepassioneerd door wat hij vertelde.

Het blijft waar dat het de grote verdienste van dit programma was deze mensen bij elkaar te krijgen (eigenlijk ontbrak er nog een: Richard Dawkins); een verademing: in een nog recent verleden zou zo'n gezelschap uitsluitend uit theologen en gelovige tobbers hebben bestaan. Maar als het dan gelukt is mensen van dit allooi voor zo'n programma te strikken is het zaak ze niet te laten ondervragen door iemand die nog niet ontdekt heeft dat het geen theologen zijn en bovendien denkt dat het om hemzelf gaat - alsof je Mozart en Schubert zou laten interviewen door iemand die geen notie heeft van muziek en alsmaar wil laten zien dat hij Duits kent.