Ik zal me rustig laten vermoorden; De geobsedeerde schrijver Kostas Tsachtsis

Uit drie elementen - de stad Athene, zijn ontzagwekkende grootmoeder en zijn geheime seksuele ontwikkeling - schiep de succesvolle Griekse schrijver Kostas Tachtss een eigen wereld.

's Nachts ging hij in travestie als hoer de Atheense straten op, overdag schreef hij. Uit de geschriften die na zijn dood zijn gevonden is de bijzondere roman "De vreselijke rechterstoel' samengesteld.

Kostas Tachtss: De vreselijke rechterstoel. Vertaling en nawoord Hero Hokwerda. Uitgeverij: Bert Bakker, 348 blz. Prijs: ƒ 39,90.

-: Het wisselgeld. Vert. Hero Hokwerda. Uitg. Bert Bakker. Prijs: ƒ 35,-

Het derde huwelijk is niet meer leverbaar.

Hij had geen weerstand geboden. Een detail dat geen necrologie onvermeld wilde laten: toen Kostas Tachtss gewurgd in zijn appartement was gevonden door zijn ongeruste zuster, naakt op zijn bed, met geverfde nagels en één oorring nog in, bleek dat hij zich niet had verzet. Hij had zich overgegeven aan de handen van zijn moordenaar; volgens een glurende buurman was het de vierde klant die Tachtss mee naar zijn huis had genomen in die nacht van de vijfentwintigste augustus 1988, een onbekende met een snorretje. Dat de meest gelezen Griekse schrijver 's nachts in de straten en parken van Athene als vrouw de hoer speelde, was toen al niet eens meer een publiek geheim; iedereen wist het al jaren èn sprak erover. Tachtss, wiens uitzinnige roman Het derde huwelijk (To trto stefáni) zich sinds zijn verschijning in 1962 langzaam maar onontkoombaar in het Griekse bewustzijn had genesteld, was een bekende persoonlijkheid. Maar van een nationale figuur die zich zo graag aan de schaduwkant van het bestaan ophield, kon je nu eenmaal verwachten dat hij op een gegeven moment voorgoed in een zwart gat zou verdwijnen. De vredige houding waarin de politie zijn lichaam aantrof, kon als het bewijs dienen dat hij eindelijk de klant had gevonden waar hij zolang naar gezocht had. Zijn dood, werd beweerd, kwam als het ware als geroepen, net als die van Pasolini ruim tien jaar eerder; een mythisch einde van een leven dat aan de werkelijkheid niet genoeg had, een heroïsche vlucht in de eeuwige nacht. “De nacht is alles,” dat had hij immers zelf gezegd? Melina Mercouri, toenmalig minister van cultuur en bevriend met Tachtss, onderstreepte tijdens de begrafenis nog eens zijn vermeende passiviteit: “Hij vertrok zoals hij leefde: vrij, gevoelig, moedig, hartstochtelijk, en ten slotte kalm.”

Ten slotte kalm? Dat beeld van de travestiehoer die verlossing vindt in de handen van de bruut, komt mij nogal ongeloofwaardig voor. In de wereld van de Tachtss heeft vrouwelijkheid niets met kalmte te maken. De grootmoeder die haar stempel drukt op zowel Het derde huwelijk als de verhalenbundel Het wisselgeld (Ta resta, 1972), een allesoverheersende figuur waartegen de schrijver zich verzette door zich ermee te vereenzelvigen, kènt dat woord niet. Ze kijft, scheldt, baast en blaast en klaagt, ze is afwisselend hysterisch en sentimenteel, ze schopt en mept, maar op lijdzaamheid zul je haar niet kunnen betrappen. In de Griekse samenleving volgens Tachtss maken de vrouwen de dienst uit. Hoogstens doen ze alsof ze onderdanig zijn, maar de werkelijke slachtoffers zijn de mannen “in de tragische klucht die vrijwel ieder Grieks gezin is: willoze, tragikomische slachtoffers van de kannibalistische liefde der vrouwen, of van hun verterende haat' ("Het eerste beeld', uit Het wisselgeld).

Je hoeft alleen Tachtss boeken maar te lezen om te weten dat zijn vrouwelijkheid stond voor kracht, niet voor zwakte. 's Nachts was de schrijver niet slechts een travestiet, maar ook hoer. De beroepseer van dat beroep was voor hem van levensbelang: door zich te laten begeren èn betalen door heteroseksuele mannen, ontsnapte hij juist aan het slachtofferschap, ook al was hij zich bewust van het gevaar (dat overigens maar al te vaak van valse collegaatjes afkomstig was die hem zijn standplaats of zijn nationale roem benijdden).

Matroos

In De vreselijke rechterstoel, de magnifieke postume autobiografie die door een redacteur werd samengesteld uit de meer dan vijftienhonderd getypte vellen papier die in zijn appartement werden aangetroffen, beschrijft Tachtss een seksuele transactie met een Amerikaanse matroos die hem bijna fataal wordt. De man ziet Tachtss voor een vrouw aan (elders schrijft Tachtss dat hij als vrouw erg veel op koningin Sofia van Spanje lijkt) en wanneer hij hem tijdens de daad gewelddadig behandelt, reageert Tachtss niet met tegengeweld. “Ik liet mijn lichaam geheel ontspannen en deed alsof ik mij overgaf, om hem niet nog kwader te maken.” Een kwestie van taktiek om te overleven, dus, geen zwijmelende overgave. Bij zijn laatste klant zal het, vermoed ik, niet anders geweest zijn.

De vreselijke rechterstoel laat zien dat het unieke van Tachtss schrijverschap juist in de beperktheid ervan moet worden gezocht. Het boek was bij zijn dood niet af, maar het kan geen toeval zijn dat het beste en mooist afgeronde deel dezelfde periode van zijn leven beslaat die hij al eerder in Het derde huwelijk en Het wisselgeld tot literatuur had gemaakt: zijn jongensjaren, die hij na de echtscheiding van zijn ouders grotendeels doorbracht bij zijn grootmoeder Polyxéni in Athene, in de jaren dertig en veertig. Uit die drie elementen - de stad Athene tijdens de jaren van dictatuur, bezetting en burgeroorlog, de ontzagwekkende grootmoeder en zijn geheime seksuele ontwikkeling - schiep hij in Het derde huwelijk een onmiskenbaar eigen wereld, die hijzelf tijdens de rest van zijn leven telkens weer bezocht.

En niet alleen hijzelf. Op wonderbaarlijke wijze is Tachtss erin geslaagd het Griekse lezerspubliek zichzelf te laten herkennen in de hoogst particuliere obsessies van een man die maar op weinig andere mensen geleken zal hebben; Het derde huwelijk groeide uit tot de best verkochte Griekse roman van na de oorlog. Hoewel Tachtss ongetwijfeld een aantal trefwoorden gemeen heeft met Pasolini - homoseksualiteit, zelfkant, geweldadige dood - levert het meer op wanneer je hem vergelijkt met een andere, naar mijn mening veel grotere Italiaanse kunstenaar: Federico Fellini. Je kunt rustig stellen dat Tachtss met de Griekse werkelijkheid heeft gedaan, wat Fellini in zijn films met de Italiaanse deed. Echt grote volkskunst is zelden realistisch; juist omdat zowel Fellini als Tachtss de werkelijkheid zo schaamteloos naar hun hand hebben gezet, lijkt die nu de essentie van een heel volk in zich te dragen. Zulke kunst spiegelt de werkelijkheid niet, maar vormt ze. Lezers van Het derde huwelijk - waarin de abominabele geschiedenis van het moderne Griekenland de achtergrond vormt van een aantal hilarische familieperikelen, verteld door een stel kijvende viswijven - zullen dingen in die roman herkend hebben waarvan ze helemaal niet wisten dat ze die kénden. Daarna was Griekenland nooit meer hetzelfde.

Brutaal

Dat gold ook voor een lezer zoals ik, die geen Nieuwgrieks kan lezen en het land alleen als kleurrijk, maar tweedimensionaal toeristendecor kende: wat dat betreft was de verschijning van Het derde huwelijk in 1986 ook voor mij een kleine openbaring. Vrijwel al het verhalende werk van Tachtss is de afgelopen jaren in het Nederlands verschenen, en dat is geheel en al te danken aan zijn vertaler, Hero Hokwerda. In Hokwerda heeft Tachtss zijn ideale pleitbezorger gevonden: hij dwingt respect af vanwege zijn heldere nawoorden, en bewondering omdat hij Tachtss ook in het Nederlands brutaal, hilarisch, trots en uitzinnig kan en durft te laten klinken. Hoewel hij zich in ieder boek meermalen geroepen voelt om in te grijpen door middel van verklarende voetnoten over Griekse toestanden, doen Tachtss' personages in het Nederlands nooit vertaald aan.

Tachtss is een komisch schrijver. In De vreselijke rechterstoel verzucht hij meer dan één keer wat een verschrikkelijk leven hij heeft gehad en zijn Griekenland is vrijwel zijn hele bestaan een politieke hel geweest. Echt tragisch wordt hij echter nooit, omdat hij in zijn romans en verhalen altijd het menselijk tekort tot norm weet te maken. Anders dan Pasolini meet Tachtss zijn personages nooit af aan een persoonlijk of politiek ideaal; zijn mensen doen wat ze niet laten kunnen, ze zijn speelbal van instincten en driften, humeuren en temperamenten, meestal met desastreuze gevolgen. Seks biedt hen weliswaar geen bevrijding, maar het is de ideale manier om tijdelijk aan het leven te ontsnappen. Wat hen komisch maakt, is de bijna tastbare liefde waarmee ze worden beschreven.

Maar hoe komisch ook, schuldeloos is die wereld niet. De bundel Het wisselgeld, die gelezen kan worden als de aanzet tot een autobiografie in episoden, begint met het simpele titelverhaal, dat Tachtss' wereld in een notendop bevat. De verteller, het jongetje dat Tachtss was, wordt door zijn moeder vaak om een boodschap gestuurd. Vóór hij vertrekt, spuugt ze op de grond: als hij niet terug is voor het speeksel opgedroogd is, staat hem een pak slaag te wachten. “Ik heb gespuugd! O wee als je weer blijft lanterfanten onderweg!” Maar het jongetje ontdekt dat achter die schijnbaar objectieve tijdslimiet niets anders dan willekeur schuilgaat: “Hóe vlug het spuug opdroogde, bepaalde ze zelf, al naar gelang de omstandigheden en haar humeur. Soms was het al in een mum van tijd opgedroogd, je was heen en weer gevlógen maar het spuug was al opgedroogd en zij stond je in de deuropening op te wachten met de riem in de hand.” Maar soms komt hij thuis en is zijn moeder het speeksel volkomen vergeten en zet ze een plaatje op en beleeft het kind plotseling de hemel op aarde met haar.

Maar het is niet alleen het humeur van de moeder; maar al te vaak laat het jongetje zich onderweg afleiden. Andere jongens houden hem op met hun spelletjes en jatten zijn wisselgeld. Wanneer hij zich huilend aan de rokken van zijn moeder vastklampt, onploft zij van woede: “"Of je wordt een man en leert dat je niet moet huilen," riep ze terwijl ze schuimbekkend erop los timmerde, "of ik vermoord je nu eens en voor al, dan kan ik één keer om je rouwen en je verder vergeten, zulke slappelingen als meneer je vader kan de maatschappij missen als kiespijn - zeg op, zul je een man worden? Zeg "ik zal een man worden'! Zeg het dan, want ik laat je niet meer levend uit m'n handen gaan, vandaag is het gebeurd met je!' En je zei: "Ja moes, ik zal een man worden.' ”

Gevoelsleven

Dat is de oermythe die ten grondslag ligt aan Tachtss' schrijverschap. De theatrale moeder (of meestal de grootmoeder), de dreigende straf, de (seksuele) verlokkingen onderweg. In De vreselijke rechterstoel beschrijft Tachtss hoe hij zich steeds vaker en langer liet ophouden; en op een gegeven moment kwam hij helemaal niet meer thuis, bij wijze van spreken. Zijn opwindende, geheime belevenissen met jongens en mannen onderweg zag hij als verraad aan de vrouwen in zijn leven. Tachtss, een schrijver die zoveel meer ophad met het onbewuste dan met het bewustzijn, was geen groot psycholoog, maar dat hoefde hij ook helemaal niet te zijn om de spanningen in zijn gevoelsleven bloot te leggen. In het verhaal "Het eerste beeld' schrijft hij: “Van kind af heb ik het leven bezien met de ogen van vrouwen: van mijn moeder, van mijn grootmoeder (van moederszijde) en van mijn tante (eveneens van moederszijde). Met hun ogen zag ik ook de mannen. De vrouwen beheersten als absolute vorsten mijn kleuter, kinder en jongelingsjaren. Toen ik mijn Oktoberrevolutie pleegde, heb ik ze niet uit mijn leven verbannen: ik heb ze onthoofd. En sindsdien leef ik nog slechts voor de wroeging.” Het is niet moeilijk te raden wie er op de vreselijke rechterstoel uit de titel van zijn postume autobiografie zit.

Die wroeging bracht hem steeds weer terug naar de plaats waar hij vandaan kwam, in zijn leven en op papier. Na het kolonelsregime, dat hem jarenlang in het buitenland had gehouden, keerde hij naar Griekenland terug, dat hij daarna alleen met de grootste tegenzin verliet. Ten tijde van zijn dood woonde hij weer in de Atheense volkswijk waar hij een groot deel van zijn jeugd had doorgebracht.

De vreselijke rechterstoel zag hij als een persoonlijk onderzoek naar de twee belangrijkste activiteiten in zijn leven, schrijven en seks bedrijven, maar het boek zelf toont zichzelf al snel als een zoektocht naar de verloren tijd. Ongeveer halverwege het boek, wanneer Tachtss zijn jeugdjaren opnieuw uitputtend en op een onweerstaanbare manier heeft opgeroepen, valt het uiteen in losse fragmenten, dagboekaantekeningen en aanzetten tot verhalen. Dat deel bevat mooie, soms uiterst pijnlijke passages, maar het mythische landschap van zijn jeugd heeft hij dan al ver achter zich gelaten.

Tachtss' nachtelijke bestaan als travestiet was een uiterst persoonlijke poging om de wereld door de ogen van zijn moeder en grootmoeder te zien; hij had dan ook weinig op met de andere travestieten in het Atheense nachtleven, die hij ergens beschrijft als een karikatuur van hemzelf; liever begaf hij zich onder de hoeren die echte vrouwen waren. De grenzen van de seksuele identiteit werden door hem rigoureus gerespecteerd; juist omdat voor hem een man een mán was en een vrouw een vróuw, kon hij zijn rollenspel volhouden. Toen de opkomende Griekse homobeweging begin jaren tachtig haar best deed Tachtss als verdediger van de protesterende travestiehoeren te maken, schreef hij een ingezonden brief naar de krant waarin hij zich met een overdreven onverbiddelijkheid distantieerde van de actie. Dat kwam hem te staan op een vendetta van de andere travestieten van de straat, met name van hun aanvoerder Alomas, wat in De vreselijke rechterstoel aanleiding vormt tot een reeks wanhopige dagboekaantekeningen, die vooral zo pijnlijk zijn omdat je als lezer er het fijne niet van te weten komt.

Alomas groeit in het dagboek uit tot een nachtmerrieachtige figuur, die de eenzame Tachtss (“In heel Griekenland is er némand die Tachtss wil helpen!”) in het donkere Athene naar het leven staat. Maar hoewel Tachtss op een nacht in elkaar wordt geslagen, wijkt hij niet: “Ik heb in elk geval aan iedereen duidelijk gemaakt dat ik geen stap terug doe. Ik zal me rustig door een semipolitionele, epileptische en geesteszwakke travestiet laten vermoorden - geheel passend in de geest van de tijd en van de Griekse samenleving anno 1981.”

Tachtss overleefde deze crisis. Hij bleef in Athene, zijn moeder- en grootmoederstad. In het verhaal "Mijn grootmoeder Athene', dat oorspronkelijk in een gelijknamige bundel werd gepubliceerd, maar door Hokwerda opgenomen is in Het wisselgeld, vloeien de grootmoeder en zijn stad in elkaar over tot één visioen van menselijke liefde: “Dank zij haar heb ik Athene lief. Sommigen zeggen dat het, zoals het er nu aan toe is, de lelijkste hoofdstad van de wereld is. Ik weet het niet, en het kan me ook niet schelen. Mooi of lelijk, voor mij is het de enige. Het is de stad waarin mijn grootmoeder is geboren, heeft geleefd en ten slotte is gestorven. Ik moet er natuurlijk wel bij zeggen dat zij in een aantal opzichten - net als Athene - een monster was en mij in mijn kinder- en later puberteitsjaren het leven behoorlijk zuur heeft gemaakt, maar, kan ik het helpen, het is de enige vrouw die ik in mijn leven heb liefgehad.”