Het verlangen naar een schriel bestaan; Intellectuele dweepzucht in roman van Claudio Magris

Claudio Magris: De Conde. Vert. Anton Haakman. Uitg. Aalders & Knuttel, 32 pag. Prijs ƒ 45,- Inl. tel. 020-6246332.

Claudio Magris: Een andere zee. Vert. Anton Haakman. Uitg. Bert Bakker, 88 pag. Prijs ƒ 24,90

Teleurstelling en ergernis beheersten voor mij het lezen van de roman Een andere zee van de Triëstse schrijver Claudio Magris. In zijn inmiddels beroemde boek Donau had hij studie, eruditie en overpeinzing verwerkt tot levend onderdeel van de geschiedenis van een hoofdpersoon, terwijl ze tegelijk een brandend instrument waren in wat Magris "de ontdekkingsreis door de beschaving van Midden-Europa en de crisis van onze tijd' noemde.

In Een andere zee lijkt daarentegen de lof van de intellectuele dweepzucht te zegevieren. Hoofdpersoon is Enrico Mreule, die aan het begin van de twintigste eeuw hoogestemde gedachten uitwisselt met twee boezemvrienden in Gorizia, de provinciestad waar Italië, Slovenië en Oostenrijk vervloeien. Hij verdwijnt naar Patagonië, want hij wil als gaucho op de pampa's een zo schriel mogelijk bestaan veroveren. Wanneer hij na jaren terugkeert naar zijn geboorteplaats, zijn de vrienden dood en heeft de loop van de geschiedenis zijn vaderland opgeslokt. Wat hem ook overkomt, hij verweert zich niet. Hij zoekt zijn heil bij zijn eigen gedachtenleven en bij het koesteren van het gefilosofeer van zijn dode vrienden.

Zo'n consequente zelfreductie lijkt bescheiden. Maar hoezeer hij zijn lichamelijke behoeften ook negeert, het ontbreekt dit personage, dat Magris ontleende aan de werkelijkheid, aan geestelijke ascese. Hij wil het eigen Zijn zo veel mogelijk verliezen tussen het vee van Argentinië, maar hij neemt wel Sophocles' geschriften mee en een brief van Tolstoi. Vrijheid, ongebondenheid, het "niet-nodig-hebben', ze zijn voor hem het hoogste goed, maar ze worden door hem bevochten in een hooghartig vervuld zijn van zichzelf en de eigen levenshouding. En omdat Magris die houding niet relativeert, begint het personage te vervagen. Hij verwordt eerst tot kwezel om dan jammerlijk te verstarren tot een Idee.

Daarna las ik Magris' novelle De Conde, door Hein Aalders en Marijke Knuttel vol allure uitgebracht in hun tot hebzucht uitdagende bibliofiele Zee-reeks. Zo theoretisch als Een andere zee me buitensloot, zo geen weerstand duldend sleepte De Conde me binnen zijn kaft.

De hoofdpersoon van De Conde heeft geen naam en las nooit een boek. Hooggestemde gesprekken voert hij niet. Wat zou hij moeten zeggen en tegen wie? Hij is maar een knecht en dat ook nog op een sinister scheepje dat de zeemonding van een, Portugese?, rivier afvaart om de lichamen van verdronkenen te bergen. Dat hij net als Enrico Mreule de geringste vorm van leven nastreeft, ontleent hij niet aan een theorie. Dat heeft het Lot zelf hem bijgebracht.

Dat Lot werd tot persoon in zijn baas, de man die De Graaf (de Conde) van de Rivier wordt genoemd. Een Held, een Vader, een Leider voor de knecht. Maar ook een jaloerse Man. Hij leverde hem de ongelofelijk wrede streek die hem zijn geliefde kostte en de zin die hij in zijn leven had gelegd. Door zijn werk vindt de knecht een houvast in de macht van de dood. “Het zijn allemaal mensen die niks zouden zijn als de dood niet bestond”, realiseert hij zich wanneer hij neerkijkt op de drenkelingen, zelfmoordenaars, pechvogels en waaghalzen die hij uit het water viste. Alleen de dood kan hem het leven schenken dat hem werd ontstolen.

In de mooi vloeiende vertaling van Anton Haakman zwenken zijn gedachten steeds verder uit naar het verlangen om levend en dood tegelijk te kunnen zijn: “(-) de dagen en de nachten glippen door mijn leven zoals het water door de spleten in het hout dringt en de gaten steeds wijder maakt, en elke dag stroomt er iets uit me weg waardoor ik lichter word, het is alsof ik alleen die dunne schakels tussen de gaten ben (-)”. Door de knecht van het lijkenbootje en zijn ongestuurde gedachtengolven kreeg de stroeve Enrico Mreule voor mij kleur en geur. Zelfs diens niet te volgen ongevoel tegenover vrouwen irriteert niet langer, wanneer het wordt gelezen tegen de achtergrond van de liefde voor een boegbeeld die de knecht van de Conde belijdt. De Conde zou als proloog moeten worden toegevoegd aan Een andere zee.