Het spook van de netvlieskunst; Zintuigelijke schilderijen in Witte de With

Het probleem van thema en inhoud doet zich de laatste jaren overal in de kunst voor, in alle disciplines. Alleen is de kwestie voor de schilderkunst dringender, het probleem kan niet verdoezeld worden. “Wat nu? Dit is de vraag die ten grondslag ligt aan de prachtige, gevarieerde tentoonstelling in Witte de With in Rotterdam.”

Britta Huttenlocher, Jonathan Lasker, Jos van Merendonk. In kunstcentrum Witte de With, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. tot 21 maart. Geopend di-zo 11-18 uur.

De belangrijke ontwikkelingen in de beeldende kunst van de afgelopen 40 jaar zouden zich hebben voorgedaan in de beeldhouwkunst, niet in de schilderkunst, een situatie die tot op heden voortduurt. Deze op dit moment wijdverbreide veronderstelling wekt vooral achterdocht, omdat zij ingegeven lijkt te zijn door het modernistische vooruitgangsgeloof. Hoevelen hebben in onze eeuw de schilderkunst niet het einde aangezegd? Volgens de constructivisten was de schilderkunst irrelevant geworden omdat zij door haar tweedimensionaliteit niet daadwerkelijk kon bijdragen aan de vormgeving van de nieuwe maatschappij. Mondriaan was een soortgelijke opvatting toegedaan en meende dat zijn "neoplasticistische' composities zich, wanneer de maatschappij er rijp voor was, als vorm en maatgevend principe zouden manifesteren in de werkelijkheid, waardoor ze als schilderij overbodig zouden zijn geworden. Marcel Duchamp volgde een andere, meer op de kunst en minder op een nieuwe wereld betrokken, redenering. Hij vond het schilderij te "retinaal'. Het was "netvlieskunst', die "slechts' appelleerde aan de zintuigen en daarmee, in zijn visie, te weinig cerebraal en spiritueel was.

Donald Judd schreef in 1965 een zo langzamerhand klassiek geworden tekst, getiteld Specific Objects. Daarin betoogde hij: “Drie dimensies zijn werkelijke ruimte. Daarmee ben je af van het probleem van illusionisme en van de literaire ruimte, ruimte in en rond tekens en kleuren - en daarmee ben je af van de saillante en meest verwerpelijke relikwieën van de Europese kunst.” Met alle respect voor de artikelen van Judd, die behoren tot het beste dat in de afgelopen decennia over moderne kunst is geschreven, klinkt dit nu toch tamelijk ouderwets. Al was het alleen maar door het zoeken naar een algemeen geldige waarheid dat er in door klinkt. Toch zijn velen nog steeds deze mening toegedaan. Kabakov, bijvoorbeeld, die op dit moment een "Totale Installatie' exposeert in het Stedelijk, verwoordde het nog onlangs: de mogelijkheden van de schilderkunst zijn uitgeput.

Het is waar dat het de hedendaagse schilder aan thematiek ontbreekt. Maar het probleem van thema en inhoud doet zich de laatste jaren overal in de kunst, in alle disciplines, voor. Alleen is de kwestie voor de schilderkunst wellicht dringender. Hier is immers, in tegenstelling tot de beeldhouwkunst, nauwelijks ruimte voor vernieuwing van materiaal en techniek. Het probleem kan niet verdoezeld worden.

Zelfexpressie

Het verhaal over hoe het zover is gekomen, is bekend. Het komt er in het kort op neer dat de geschiedenis van de schilderkunst vanaf het einde van de negentiende eeuw, via het Synthetisch Kubisme en Matisse, in het teken staat van de geleidelijk aan groeiende weigering om de werkelijkheid weer te geven, een taak die de fotografie trouwens goeddeels over had genomen. Hiervoor in de plaats kwam tijdelijk, om precies te zijn tot en met de New York School, de schilderkunst als zelfexpressie. Zoals Jackson Pollock het zei in 1956: “Iedere goede kunstenaar schildert wat hij is.” Maar het schilderij als zelfexpressie is nu voorlopig een gepasseerd station, de neo-expressionistische oprisping aan het begin van de jaren tachtig ten spijt. Pollock, Newman en Rothko hebben de zelfexpressie op zo grote hoogte gebracht, hun schilderkunst (Pollocks action painting, Newmans monochromie) was zo rigoureus dat daar nog weinig aan toe te voegen was.

Wat nu? Dit is de vraag die ten grondslag ligt aan de prachtige, gevarieerde tentoonstelling van Britta Huttenlocher (Chur, Zwitserland, 1962), Jonathan Lasker (New Jersey, 1948) en Jos van Merendonk (Tilburg, 1956) in Witte de With, georganiseerd door Gosse Oosterhof die ook verantwoordelijk was voor Horn of Plenty in het Stedelijk Museum in 1989.

Als onderliggend thema komt hier juist de vaak bekritiseerde verhouding tussen het materiële, concrete aspect en het illusionisme in de schilderkunst aan de orde. Het verbindt het werk van de drie exposanten, hoe sterk ze onderling ook verschillen. Ze richten zich hierbij niet in de eerste plaats op de zichtbare werkelijkheid, en evenmin op zichzelf, maar op de mogelijkheden en de geschiedenis van de schilderkunst. Maar hoewel ze zich dus in de eerste plaats tot de kunst verhouden, is hun werk, in ieder geval dat van Huttenlocher en Lasker, allerminst de zoveelste uiting van een zelfgenoegzaam l'art pour l'art.

Bij Lasker komt de spanning tussen het materiële en het illusionistische van het schilderen het duidelijkst tot uitdrukking. Hij beschouwt zichzelf als "visueel ingenieur', en spreekt van "drama' wanneer de fysieke nabijheid van het schilderij voelbaar wordt. Steeds weer contrasteert hij abstracte, lineaire motieven met patronen bestaande uit dikke, tastbare verfstreken, als een dialoog tussen het illusionaire en het zintuiglijke. Hierdoor betrekt hij de beschouwer bij het verschijnsel van het schilderij, en ook bij het moment (het het hier en nu en de plaats) van het kijken naar het schilderij. Het levendige, zinderende kleurgebruik - oranje, roze, rood, geel, blauw - verhevigt dit nog. De belangrijkste eis die Lasker stelt aan een schilderij is dat het "specifiek' moet zijn: onherhaalbaar, uniek, onmiddellijk aanwezig. Volgens hem hebben we, hoofdzakelijk door de televisie, het gevoel voor de onmiddellijke nabijheid, voor de primaire ervaring, verloren. Hij hoopt, zoals hij mij zei, dat de schilderkunst dit gevoel kan "revitaliseren'.

Pittoresk

Laskers voorland is het werk van Jackson Pollock, Barnett Newman en anderen van die generatie. Bij Huttenlocher is dat de negentiende-eeuwse pittoreske landschapsschilderkunst. Ik bedoel hier "pittoresk' in kunsthistorische zin, als genre dat een bepaalde schoonheidsbeleving van de natuur tot onderwerp heeft. Dit genre was aan duidelijke regels gebonden, wat wil zeggen dat een "pittoresk landschap' een herhaalbare constructie is van de menselijke geest. Chiaroscuro, gebroken toetsen, een schetsmatige ruwheid die spontaniteit suggereert, het met wit ophogen zijn enkele effecten die de schilder of tekenaar tot zijn beschikking had. Een beroemd voorbeeld is Constable. Het mooie is dat Huttenlocher al deze "typisch schilderkunstige' effecten weet te bereiken door middel van collages van gekopieerde zwart/wit ansichtkaarten van besneeuwde berglandschappen.

Er is met haar werk trouwens nog iets vreemds aan de hand. Van dichtbij zijn haar landschappen diep, met een grote rijkdom aan ragfijne details als boompjes, kabelbaantjes, en skiërtjes. Van veraf verdwijnen die details en wordt de collage een abstract, monochroom "materieschilderij'. Het is, verbazingwekkend genoeg, de precieze omkering van de impressionistische methode.

Van Merendonk neemt in dit geheel de minst duidelijke positie in. Zijn aanpak (het krassen in de verf, het invullen enzovoort) heeft wel te maken met het thema van de schilderkunstige illusie, maar ik zou willen dat zijn beelden boeiender waren.

Twee dingen worden door de tentoonstelling bevestigd. De eerste is dat de toekomst van de schilderkunst voorlopig ligt in een actieve verwerking van de traditie (dus niet op de reactionaire, passieve "After Nature' manier). De tweede is dat een schilderij geslaagder is naarmate het zintuiglijker is. In alle grote schilderijen speelt het dualisme van tastbaarheid en illusie een rol, een gegeven dat trouwens nooit uitgeput zal raken. Het wordt misschien hoog tijd om het spook Duchamp met zijn netvlieskunst te verdrijven.