Het huwelijk als een warm, groezelig bed

Voorstelling: Drie drama-miniaturen door Het Auteurstheater. Regie: Jeroen Leenen. Spel: Adriaan Adriaansen en Maroesja Lacunes. Gezien: 11/2 Pleintheater, Amsterdam. T/m 13/2 aldaar. Daarna op 5/3 in Enschede en 6/3 in Almelo.

Hoeveel geheimen mag men voor zijn partner hebben? In drie hier nog vrij onbekende eenakters spelen Adriaan Adriaansen en Marousja Lacunes telkens een man en een vrouw die zich slechts met behulp van heimelijke fantasieën in hun huwelijk staande kunnen houden. Dat die fantasieën soms nogal kwetsend voor de ander zijn, lijkt een onvermijdelijk bijverschijnsel.

De blinde man in Herman Heijermans' dialoog Kwelling (1906) voelt zich gelukkig wanneer hij ongestoord kan mijmeren over zijn grote liefde, een oude huisvriendin die hij nooit meer ziet. Zijn zalige dagdromen laat hij zich door niemand ontnemen, ook niet door zijn echtgenote. Fysiek mag hij dan wel afhankelijk van haar zijn, maar op zijn geest krijgt zij geen vat, daar zorgt de man wel voor. In Nacht, een uit de vroege jaren zestig daterende eenakter van Harold Pinter, zoeken een man en een vrouw in hun herinnering naar het moment waarop zij elkaar voor het eerst ontmoetten. Een gezamenlijke reconstructie mislukt, want elk van hen houdt stug aan zijn eigen verhaal vast - hun huwelijk is op mythes, leugens en dromen gebouwd. Alléén leven, met dode schrijvers als enig gezelschap, is de diepste wens van het vrouwelijke personage in Tennessee Williams' minidrama Praat tegen mij zoals de regen en laat mij luisteren (1950).

Maroesja Lacunes - Tika uit de kinderserie Ti-tatovenaar - speelt verrassend subtiel, zonder een zweem van koketterie of effectbejag. Met een enkel terloops gebaar verraadt zij de stemming van haar personages; de onrustige beweging van haar hand bij het schrijven van een brief, de vinnige manier waarop zij haar voeten in een teil water zet, de huivering waarmee zij op een aanraking reageert - dat alles zegt meer dan het luidruchtige gedoe van sommige jongere actrices. Adriaan Adriaansen vervalt soms in maniertjes, maar als zachtmoedige alcoholist in het stuk van Tennessee Williams bloeit hij helemaal op.

Van de drie miniaturen is die van Williams veruit de interessantste. Vooral hier blijkt hoe breekbaar de mannen en vrouwen uit dit drieluik zijn. In een sprookjesachtige monoloog fantaseert de vrouw dat zij later, na vijftig jaar vrijwillige opsluiting in een hotelkamertje aan zee, nog één keer de boulevard op zal gaan. Daar zal een wind waaien "die van de randen komt' en die haar zal meevoeren naar verre, verre streken. Tenminste, zo zou het móeten zijn. Groot is haar teleurstelling wanneer niet de wind, maar gewoon haar vriend haar in zijn armen neemt. Die heeft haar immers niets te bieden, behalve dan een warm en groezelig bed.