Het doel is georganiseerde chaos; Choerograaf Ted Brandsen over noodzakelijke bewegingen

Zijn eerste balletten gingen over relaties, "een typisch stokpaardje van de beginner' zegt Ted Brandsen, gastchoreograaf van Het Nationale Ballet. Nu is hij niet meer zo geïnteresseerd in betekenissen en mededelingen, dans is een abstracte kunstvorm die een eigen innerlijke logica moet hebben. “Die zes passen naar rechts moeten gezet worden omdat het niet anders kan - en om geen enkele andere reden.”

Ook als ze niet dansen, bedienen dansers zich van een andere taal. Het is druk in de studio waar de repetities voor het nieuwe ballet van Ted Brandsen op het punt staan te beginnen. Aan de barres worden talrijke ledematen gestrekt, er wordt aan beenwarmers en académiques gesjord, een enkele danseres lapt met naald en draad haar spitzen op en vele anderen liggen in allerlei houdingen op de grond te babbelen. De wanorde wordt nog vermenigvuldigd door de wandbrede spiegels. Toch heerst er orde, voor de ingewijden. De ternauwernood hoorbare mededeling van Ted Brandsen dat de repetities begonnen zijn heeft het effect van een toverstaf. Uit de mierenhoop maken zich dansers los die op voor de buitenstaander onnavolgbare tekens op het juiste moment op de juiste plaats het juiste been heffen.

Hoewel hij later zegt "maar al te goed' te weten dat de concentratie ook verslappen kan - aan het eind van een lange repetitiedag, bij voorbeeld, voordat de dansers "de bus in moeten' voor een optreden in het land - lijkt Brandsen de betoonde discipline volstrekt vanzelfsprekend te vinden. Tot twee jaar geleden was hij zelf danser en maakte hij deel uit van Het Nationale Ballet, het gezelschap dat hem nu voor de tweede keer de kans biedt een grote-zaal-produktie te maken.

Nu Ed Wubbe artistiek leider is geworden van het Scapino-ballet is Brandsen nog de enige free-lance choreograaf in ons land die banden onderhoudt met een klassiek gezelschap. In de moderne dans wemelt het van loslopend talent, maar een klassiek georiënteerd gezelschap als Het Nationale Ballet moet gastchoreografen meestal uit het buitenland halen. Die omstandigheid heeft het enthousiasme over Brandsens eerste grote ballet Four Sections (1991), waarvoor hij de Perspectiefprijs 1992, voor jong scheppend talent ontving, zeker nog vergroot. Hij had er blijk van gegeven niet alleen de organisatie van een produktie met twintig dansers aan te kunnen maar ook nog in staat te zijn een aanstekelijke choreografie te maken. Duidelijk geïnspireerd door grote voorbeelden als Hans van Manen en William Forsythe toonde Brandsen toch een verrassend eigen gezicht. Het geraffineerde, strakke decor van hemzelf, de olijke kostuums van collega-danser François-Noël Cherpin, de heldere structuur van het vierluik en het videoclip-achtige snelle en luchtige danswerk maakten het logisch dat Het Nationale Ballet zijn voormalige coryfee opnieuw een opdracht gaf.

Want tot de rang van coryfee, op het corps de ballet na de laagste, heeft de danser Brandsen het geschopt. “Meer zat er niet in” zegt hij na de repetitie zonder zichtbare spijt: “voor verdere promoties schoot mijn beheersing van de techniek duidelijk tekort.” Dat is niet verwonderlijk. Brandsen (33) begon pas op 19-jarige leeftijd te dansen, extreem laat. Na het gymnasium bezocht hij, dank zij een beurs, een jaar lang Hamilton College in de Amerikaanse staat New York. Men kon er in vrijheid zijn studiepakket samenstellen. Brandsen herinnert zich een mede-studente die afstudeerde in ballet en wiskunde. Hijzelf liep aanvankelijk colleges Engelse literatuurgeschiedenis en toneel, tot zijn danspartner op een feestje rond Kerstmis, aan het begin van het tweede semester, hem voorstelde de balletlessen te gaan volgen.

Instrument

Terug in Nederland gaf het Conservatorium in Den Haag de inmiddels enthousiaste dansliefhebber te verstaan dat men geen ouderen dan 12-jarigen toeliet, maar de Scapino Ballet-academie nam hem wel aan. En, al was hij ook daar door zijn late start in het nadeel, hij werd nog vóór het eindexamen geëngageerd door Het Nationale Ballet. De toenmalige artistiek leider Rudie van Dantzig zag volgens hem “uiteraard mijn tekortkomingen maar kennelijk ook een niet door gebrek aan techniek gehinderde bravoure”. Tien jaar later nam hij afscheid, van de dans en van het gezelschap.

“Ik ben het dansen ook psychologisch ontgroeid. Al geeft een choreograaf zijn dansers nog zoveel ruimte, uiteindelijk is iedere danser een instrument. Misschien juist omdat de ijzeren discipline van dit vak me niet van jongsaf was bijgebracht, was ik steeds minder bereid genoegen te nemen met die dienende functie. Ik wilde zelf ook invloed uitoefenen en beslissingen nemen. En Het Nationale Ballet heeft me in dat streven, vanaf de eerste workshop die ik hier deed, steeds gesteund. Al moest ik soms 's avonds in de Romeo meedansen, men stelde me wel in staat elders een ballet te maken.”

Hij maakte vanaf 1985 vier workshop-stukken, voorstellingen voor "besloten kring', bedoeld als kweekvijver van talent. En hij repeteerde een grote voorstelling van Carolyn Carlson. Daarnaast maakte hij onder meer een "mannenballet' voor het door Gerardjan Rijnders geregisseerde Bacchanten (1986) en Triumvirate voor Reflex (1990) en leverde hij een bijdrage aan het mislukte megaproject Solid Ashes en het succesvolle in samenwerking met Karin Post, Hans van Manen en Pauline Daniëls tot stand gekomen True Colour. Four Sections leverde hem een uitnodiging op van het Staatsballet in Istanbul.

Crossing the Border op muziek van Steve Martland is Brandsens derde grote stuk. “Ik begin nog maar net, ik weet niet welke kant het opgaat. Vergeleken met Kammerspiel, mijn eerste workshopstuk dat relatieproblemen tot thema had, ben ik me veel meer met structuur en vorm bezig gaan houden. De relatieproblematiek is een typisch stokpaardje van de beginner. Uiteraard heeft alle dans met relaties te maken, maar dat thema is nu veel implicieter. Het krijgt een abstractere vorm en is niet meer direct aanwijsbaar. De noodzakelijkheid van een choreografie wordt in de eerste plaats door de vorm bepaald en minder door de inhoud.

“Waarom ik een ballet maak - vanwege de verschrikkingen in Bosnië of vanwege mijn moederbinding - gaat niemand wat aan. Dat gaan mensen maar controleren en dan wordt je werk aan andere criteria dan de kwaliteit ervan getoetst. De vraag waarom een choreografie is zoals zij is, betekent voor mij sowieso al dat ik fout zit. Zodra je je als maker afvraagt waarom een bepaalde beweging gemaakt wordt, moet je die eruit halen. De onontkoombaarheid ervan is dan kennelijk niet groot genoeg. Die zes passen naar rechts moeten gezet worden omdat het niet anders kan - en om geen enkele andere reden. Die moet je verder niet proberen te omschrijven: die is er en heeft op een vage manier met ritme te maken, met ademtocht, met balans tussen de dingen. De grote moeilijkheid van de abstracte kunstvorm die dans is, is kortom ook zonder verhaal dwingende logica aan te brengen en toch niet voorspelbaar te worden.”

Plaatje hier plaatje daar

De opdracht die Brandsen zich met Crossing the Border in formele zin heeft gesteld is “een grote groep op toneel zetten waarbinnen de individuen zichtbaar blijven”. “De vrij bepalende muziek van Martland heeft een doorgaande lijn en mijn choreografie dus ook, maar ik wil tegelijkertijd kleinere elementen laten zien. Die zijn onderling verschillend, maar houden toch verband met elkaar, zonder bij voorbeeld symmetrisch tegen over elkaar te zijn gezet. Het publiek moet als het ware zelf uit het aangebodene kunnen kiezen, het geheel kunnen zien maar ook de aandacht naar een detail kunnen verleggen. Daartoe moet ik een zekere chaos in stand houden, ja, het doel is georganiseerde chaos.”

In de studio is al duidelijk te zien wat Brandsen bedoelt. Het stuk begint met vrij statische beelden van afzonderlijke paren (“Ik heb in filmtermen gedacht: plaatje hier, plaatje daar”). In de woorden van de choreograaf zelf “nemen vervolgens de jongens de ruimte in beslag, dan de meisjes, waarna alles in beweging komt, tot een draaikolk-achtige hoogtepunt”. De beweging waaiert weer uiteen en “ten slotte zoomt de camera in op een paar - let wel: niet Het Paar”. Brandsen stelt het laatste met nadruk. Het gaat hem om “een patroon, gedicteerd door de muziek, een patroon van tegenstellingen tussen veel beweging en statischer momenten.”

Voor Four Sections gebruikte Brandsen twintig dansers, zijn nieuwe ballet telt er zestien, acht mannen, acht vrouwen. De toeschouwer is zich vreemd genoeg nauwelijks bewust van die numerieke symmetrie, één paar wordt gevormd door mannen, een ander door vrouwen. De vraag of het COC hier zijn invloed doet gelden, beantwoordt Brandsen met een wegwuivend gebaar. “Nee, zeg, het is geen 1965 meer. In die zin heb ik geen boodschappen - wat niet wil zeggen dat ik me niet betrokken voel bij de politiek of de stand der samenleving. Daarover mededelingen doen, althans expliciet, heeft alleen niet mijn belangstelling. Waar om het dan wel gaat is altijd en eeuwig de onbeantwoorde vraag. Ik heb er voor mezelf wel een soort antwoord op gevonden. Ik vind het geweldig om voor 25 minuten een nieuwe werkelijkheid te kunnen scheppen. Dat plezier roept ook weer vragen op, maar het is mij voldoende. Je voelt je even een god.”

Crossing the Border gaat vanavond in het Amsterdamse Muziektheater in première.