Eerste hoogleraar toerisme: "milieu te vaak verwaarloosd'

ROTTERDAM, 12 FEBR. Niet-ingewijden zullen de gloednieuwe hoogleraar toerisme waarschijnlijk een 'vakantie-prof' noemen. Maar ook in het universitaire milieu werd lange tijd sceptisch aangekeken tegen onderzoekers die zich bezig houden met toerisme en recreatie.

Die weerstand ondervond M. Jansen-Verbeke toen zij in 1988 promoveerde aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen op het proefschrift "Vrije tijd, recreatie en toerisme in binnensteden'. Ze werd door de opponenten onder vuur genomen. Waar was het theoretische kader? Was het niet meer een allegaartje? “Ik heb me nogal fel moeten verdedigen. Mijn proefschrift omvat een verzameling case-studies die tot doel hadden het onderzoeksterrein te verkennen. Toerisme en recreatie werden niet gezien als onderwerpen waar je wetenschappelijk onderzoek naar zou kunnen doen. Maar het tijdsbeeld is veranderd”.

Dat het tij voor toerisme-onderzoek is gekeerd blijkt uit het feit dat Jansen-Verbeke begin deze maand - als eerste in Nederland - werd benoemd tot bijzonder hoogleraar toerisme. Ze wordt voor één dag per week aangesteld bij de faculteit bedrijfskunde van de Erasmus Unversiteit in Rotterdam, bij de vakgroep marketing-management.

Studenten management van het toerisme zijn volgens geografe Jansen-Verbeke per definitie multidisciplinair bezig. “We gaan te leen bij andere disciplines. Bij gedragswetenschappen, bij economie, bedrijfskunde en marketing. Maar ook bij milieukunde.” Jansen-Verbeke zal zich tijdens haar colleges vooral bezighouden met het managementaspect van het toerisme. Centraal zullen staan planning, organisatie, beleid en beheer in het toeristische bedrijf.

Het massatoerisme, deze schier niet te stillen honger naar méér, beter en verder, noopt volgens haar ook tot het doen van onderzoek naar ecologisch verantwoord toerisme. Hoe groot is bijvoorbeeld de draagkracht van een gebied, op welk moment moet de bouw van nieuwe hotels worden gestopt, wanneer stop je met het aanbrengen van kunstsneeuw op pistes? Jansen-Verbeke: “Je moet een visie ontwikkelen over hoe je omgaat met je toeristische inkomstenbronnen. Je kunt er als lokale overheid van willen leven, maar je moet er juist daarom zuinig op zijn. Zo'n boodschap overbrengen in ondernemerskringen is niet gemakkelijk. Dat collectieve bewustzijn is er nog niet. De Belgische kust is bijvoorbeeld zó volgebouwd met hotels dat de duinen vrijwel verdwenen zijn. Dan ben je dus ook je toeristische attractie kwijt.”

Vorig najaar was Jansen-Verbeke te gast in Hanoi om te adviseren over de vraag hoe deze stad voor toeristen weer aantrekkelijk kan worden gemaakt. In plaats van het uit de grond stampen van nieuwe hotels pleitte ze voor grootschalige renovatie van oude gebouwen. “Hanoi is een stad met veel Frans cultureel erfgoed. Er staan prachtige villa's - helaas verkommerd. Een hotelketen heeft inmiddels een oud gebouw gerestaureerd, werkeljk prachtig.”

Ook dichter bij huis, in het Poolse Kraków, is ze betrokken bij het opstellen van een toeristisch ontwikkelingsplan. Ruimtelijke planning, marketing, het opleiden van gidsen, maar ook zaken als het aanbrengen van bewegwijzering en verkooppunten van ansichtkaarten komen daarbij aan de orde. “Ondernemers lopen nog niet al te hard van stapel gezien de onduidelijkheid rondom de eigendomsverhoudingen van het onroerend goed. Maar de wens is er om de organisatie van het toerisme absoluut onder de knie te krijgen.”

Begin jaren tachtig deed ze onder meer onderzoek naar de aantrekkelijkheid van Den Bosch. Ze keek naar de mogelijkheden voor recreatie en naar de wijze waarop het historische karakter van de stad werd benut als "toeristisch evenement'. Het waren de jaren waarin het "shopping-tourism' opkwam: een dagje ergens naar toe gaan met als voornaamste doel winkelen. De leuke winkelstraatjes rukten op, er kwamen overdekte winkelpassages en marktbezoek werd een streeds grotere attractie. “Toerisme in Nederlandse steden bestaat uit een dagje winkelen, een beetje cultuur en een terrasje. Toppers zijn er nauwelijks, afgezien van Amsterdam kun je bijna nergens een paar dagen achtereen zinvol vullen”, zegt Jansen-Verbeke.

Het is volgens haar vrijwel onmogelijk om over een langere termijn te voorspellen hoe lang een bepaald toeristisch produkt aantrekkelijk zal blijven. “Neem een Grieks eiland waar het een paar jaar storm loopt om vervolgens weer uit de gratie te raken. De bevolking zit met een reeks grotere en kleine hotels die uit de grond zijn gestampt, maar allengs leeg blijven. De toeristen-industrie moet inzien dat korte-termijndenken heel schadelijk kan zijn voor die bevolking en voor de infrastructuur van zo'n eiland. Maar ik begrijp natuurlijk wel dat een lokale overheid zich laat meeslepen in de hausse van toeristen en die zoveel mogelijk van dienst wil zijn. Alleen zoeken die meestal na een paar jaar weer een andere plek op en het is de vraag of zo'n eiland een attractie blijft.”