Een verliefde deegsliert

"Hoi', zei de jongen. "Hoi', zei ik. "Ik heb je een tijd niet gezien, waar was je?' zei de jongen. "Overal en nergens', zei ik. "Oh, dan is het goed', zei de jongen. Het was een lange jongen. Hij droeg een korte, gevlekte jas.

Het was een soldatenjasje. En zwarte, hoge schoenen met lange, rode veters die om de bovenkant van zijn schoenen waren geslagen en toen dichtgestrikt. De jongen was kaalgeschoren, op een dunne haarstrook na, die midden op zijn hoofd zat. Het was geen hanekam zoals bij andere jongens. Midden op zijn kale hoofd had hij een soort staart laten groeien die bij zijn voorhoofd golfde en daarna doorliep tot in zijn nek.

Verder droeg hij een heel klein brilletje met een glimmend randje. "Ik wou morgen langskomen', zei de jongen. "Leuk', zei ik. De volgende dag kwam de jongen op bezoek. "Wie is die jongen?', fluisterde mijn vriend Jan toen ik in de keuken was om frisdrank uit de ijskast te pakken. "Al sla je me dood. Ik heb geen idee', zei ik. "Mijn moeder ligt in het ziekenhuis', zei de jongen toen ik zijn glas vulde. "Is ze erg ziek?', vroeg ik. "Valt wel mee, hoor', zei de jongen. "Het is alleen vervelend dat ik nu na schooltijd in de winkel moet helpen en ...' "Welke winkel is het ook weer?', vroeg ik. "De groentezaak! Dat weet je toch wel', zei de jongen. "Ach ja, natuurlijk', zei ik. Ineens wist ik wie de jongen was, het was de jongste zoon van de groenteboer. "Dat haar staat je leuk, Pim', zei ik. "Vind je?' zei Pim. "Mijn vader noemt me nu deegsliert.'

De jongen keek ineens heel treurig. "Weet je wat zo erg is? Hij zegt ook deegsliert tegen me als Ineke in de winkel komt.' De jongen zweeg. Hij stak zijn hand in de zak van zijn soldatenjasje en haalde er een foto uit die hij voor me neerlegde. Op de foto stond een meisje met een rugtas en een racefiets. "Dat is Ineke', zei ik. "Ja', zei Pim. "Dat is Ineke. Ze woont schuin tegenover ons. Die foto heb ik genomen toen we met de klas een fietstocht maakten.' "Het is een leuke foto', zei ik. "Alle jongens uit de klas zijn verliefd op Ineke', zei Pim. Hij zuchtte diep en zweeg weer. "Jij ook?', vroeg ik. Pim haalde zijn schouders op. "Ik voel me wel raar', zei hij. "Raar?', vroeg ik. "Ja, gewoon raar', zei Pim. "Ik durf niks tegen haar te zeggen en als ik wat zeg, gaat ze giechelen en dan durf ik helemaal niks meer te zeggen. Vanuit mijn kamer kan ik bij die mensen naar binnen kijken. 's Avonds als het licht brandt, zie ik Ineke wel eens in de huiskamer zitten.

Op mijn kamer doe ik dan expres het licht niet aan en dan blijf ik de hele tijd kijken. Zou ik gek zijn?' "Je bent verliefd. En iedereen die verliefd is, doet gekke dingen', zei ik. "Gaat het vanzelf over?', vroeg Pim. "Het kan een hele tijd duren', zei ik. "Nou, dan ga ik maar weer eens', zei Pim. Een hele tijd later kwam ik Pim weer tegen. "Hoi', zei ik. "Hoi', zei Pim. "Alles goed?', zei ik. "Mmm', zei Pim, "ze gaat nu met Nicky.' "Wie gaat met Nicky?', vroeg ik. "Ineke natuurlijk', zei Pim. "Hoe kan dat nou?', zei ik. "Ze was jarig', zei Pim. "Ik was niet uitgenodigd maar ik had haar een taart gestuurd. Zonder afzender natuurlijk. Toen heb ik de verrekijker van mijn vader gepakt en ben ik naar mijn kamer gegaan. Ik kon alles heel duidelijk zien. Ze zat met haar vriendinnen in de huiskamer van de taart te eten. De volgende dag riep ze hardop in de klas. Bedankt voor de verjaarsdagtaart. En toen riep Nicky voor de grap: Graag gedaan. En toen riep zij weer: Nou, weet ik tenminste van wie ik die taart heb gekregen. En zo is het dus aangeraakt tussen Ineke en Nicky.' "Trek het je niet aan, je hebt gewoon pech gehad', zei ik. "Als ik haar in plaats van een taart een bloemkool had gestuurd, had ze de afzender wel geraden', zei Pim. "Of een struik andijvie', zei ik. "Of een spruitje', zei Pim. "Of twee spruitjes', zei ik. "Of een sperzieboon', zei Pim. We barstten in lachen uit. "Ik ga weer verder. Hoi', zei Pim. "Hoi', zei ik.