Een tocht door Allusie; Umberto Eco als comicus in 14 oude essyas

Umberto Eco: Ondersteboven. Kleine kroniek I. Uitg. Bert Bakker, 147 blz. Prijs ƒ 24,90.

"Eco' betekent in het Italiaans "echo'. Misschien verklaart deze klankspeling iets van de fascinatie die de literaire duizendpoot Umberto Eco altijd heeft gehad voor zinspelingen, allusies, citaten, reminiscenties, parodieën, pastiches, kortom voor echo's. Niet voor niets speelde zijn roman De naam van de roos zich voor een groot deel af in een bibliotheek: de tekst was slechts ten volle te genieten voor de luttele lezers die de menigvuldige Latijnse citaten en middeleeuwse innuendo's begrepen. Zijn tweede roman, De slinger van Foucault, moest gelezen worden tegen de achtergrond van de gehele esoterische traditie; van de bloedserieuze kabbala tot de vele, minder ernstige varianten daarvan, zoals The Holy Blood and the Holy Grail van Baigent, Leigh en Lincoln.

De lezer die zou denken dat Eco met deze beide werken inhaakte op een postmodernistische mode, wordt uit zijn droom geholpen door zijn essaybundel Ondersteboven. Dit werk, deel I van Kleine kroniek (vertaling van Diario minimo), bevat namelijk veertien stukken die al tussen 1959 en 1963 werden geschreven en die even zovele variaties zijn op wat tegenwoordig bekend staat als intertextualiteit: het spel van teksten met andere teksten. De geleerde semioticus treedt hier als volleerde comicus op: in plaats van het fenomeen theoretisch te analyseren parodieert hij een aantal teksten en tekstgenres.

Geheim

Het leek me aardig de wetenschapper Eco in deze recensie een koekje van eigen deeg te bakken. Daartoe wil ik de lezer op wetenschappelijke wijze het geheim van de humor in deze teksten onthullen. Dertien stukken van deze bundel ("Brief aan mijn zoon' staat apart en is ook niet erg humoristisch) speculeren op een incongruentie tussen de wijze van beschrijven en datgene wat beschreven wordt. Vandaar dat ondanks soms schitterende invallen de bundel op den duur toch wat vervelend uitvalt: het "ondersteboven' wordt verwacht.

Een eerste techniek die Eco hanteert is de lezers van Asterix welbekend: het anachronisme of de historische incongruentie. Niet minder dan vijf van deze stukken zijn daarop gebaseerd. In "Tot onze spijt' worden klassieke meesterwerken, zoals de Bijbel, de Odyssee en de Divina Commedia, gelezen door de commerciële bril van een hedendaagse lector. "Het ding' beschrijft de prehistorische ontdekking van de vuistbijl via het Science Fiction-cliché van het ultieme vernietigende wapen. "De ontdekking van Amerika' wordt verteld in de vorm van een hedendaagse televisiereportage. "Het andere Empyreum' toont ons de botsing tussen antieke en moderne opvattingen over God. Het langst uitgesponnen, maar voorspelbaarste stuk in deze reeks is "Wat zal er van ons terechtkomen', waarin een tijdgenoot van Pericles over zijn tijd spreekt in de gemeenplaatsen van een moderne doemdenker.

Een variant op deze eerste techniek is wat ik met de voorliefde van de moderne wetenschap voor neologismen zou kunnen betitelen als anatopisme of geografische incongruentie. In "Nijverheid en seksuele onderdrukking in een maatschappij in de Povlakte' wordt de stad Milaan beschreven alsof het een primitieve Polynesische cultuur betrof. Het effect is hilarisch, vooral waar Eco zijn betoog lardeert met letterlijke citaten uit filosofische werken van Husserl en Binswanger.

Een derde techniek noem ik anacriticisme of interpretatieve incongruentie. "My exagmination round his factification for incamination to reduplication with ridecolation of a portrait of the artist as Manzoni' schrijft de Italiaanse roman I promessi sposi van Manzoni toe aan Joyce en beschrijft hem in de stijl van Eliot en andere New Critics. Tot die categorie behoren ook de "Drie recensies' (onder meer van twee Italiaanse bankbriefjes). "Fenomenologie van showmaster Mike Bongiorno' en "De striptease en het paard-zijn' parodiëren sociologische analyses en komen daardoor, wellicht onbedoeld, in de buurt van de Mythologies van Roland Barthes.

Eco's vierde techniek is het anamimetisme: de imitatieve incongruentie. Pasticheren vergt een groot nabootsingsvermogen. Hoe knap Eco trucs doorziet bewijst hij in "Do your movie yourself': recepten voor films à la Antonioni, Godard, Visconti, enzovoort. De humor ontstaat door vertekeningen. Zo imiteert "Esquisse d'un nouveau chat' de stijlkenmerken van de nouveau romancier, maar karikaturiseert ze door als hoofdpersonage een kat te kiezen. "Nonita' is een kostelijke Nabokov-pastische. Het komische zit hier in de omkering van het thema van Lolita: het gaat om een zekere Umberto Umberto (alter ego van de Amerikaanse Humbert Humbert) die alleen valt op oude vrouwen.

Allusië

In deze bundel zijn twee van de oorspronkelijke stukken onvertaald gebleven, omdat de vertalers ze te "Italiaans' vonden. Volgens mij zorgen nog wel meer stukken voor problemen. Eco heeft zelf blijkbaar ook nattigheid gevoeld, want hij geeft in zijn voorwoord aanwijzingen over de slachtoffers van zijn parodieën. Een zwaktebod: ironie die je zelf moet uitleggen is niet leuk meer. Men kan zich afvragen of de gemiddelde Eco-fan wel voldoende kennis heeft om al deze echo's te kunnen opvangen. Wie kan bijvoorbeeld de Manzoni-Joyce-parodie echt begrijpen? Wie heeft Manzoni gelezen en wie Joyce? En wie de kritieken op Finnegans Wake? Slechts slimme lezers zullen Eco op zijn tocht door Allusië kunnen volgen. Voor de anderen blijft zijn grappige echoput stom.