De oorlog tegen het vlees; De schokkende foto's van Robert Mapplethorpe

Liberale pleitbezorgers van de foto's van Robert Mapplethorpe maken de denkfout dat seks gelijk staat aan bevrijding. Bij Mapplethorpe staat seks juist voor gevangenschap. “Het mannenlichaam is een ijskoude isoleercel.”

Mapplethorpe. Uitgeverij: Random House, 380 blz. Prijs: ƒ 169,50.

Kijk naar Ken, N.Y.C., 1978. Hij zit op een houten tafel, naakt, zijn benen opgetrokken en uiteengevouwen. Zijn hoofd- en schaamhaar zijn weggeschoren. Zijn grauwe lichaam draagt de sporen van geweld: de tepels zijn doorboord met pennen, over de vormeloze borst loopt een lang, vlekkerig litteken, daarboven zijn de letters TL groot in het vlees gekrast. Zijn geslacht wordt omvat door een strakke cock-ring. Zijn mond is opengesperd en hij lijkt te stikken in het gezwollen vlees van zijn eigen tong. Zijn smekende rechterhand onderstreept de wanhoop in zijn ogen.

De foto's van Robert Mapplethorpe zijn al zo lang synoniem met schokkend, dat je als wereldse kijker geneigd bent er nadrukkelijk je schouders over op te halen. De Amerikaanse schandalen waarmee een deel van het werk van deze Amerikaanse fotograaf omgeven is, richtten zich zonder uitzondering op het vermeende pornografische karakter van de foto's. Dat heeft bij het verlichte deel van het kunstpubliek een modernistische reflex tot gevolg: wat de ultra-rechtse senator Jesse Helms weigert ten toon stellen in openbare gebouwen, kom, daardoor laten wij ons niet van ons stuk brengen.

Het portret van Ken, opgenomen in het omvangrijke boek met Mapplethorpe's zwart-wit foto's dat onlangs verscheen, maakt snel een einde aan die zelfgenoegzaamheid. Deze foto is schokkend en bedoelt ook te schokken; niet omdat hij de verborgen wereld van het SM-ritueel aan het licht brengt, maar omdat hij de volledige ontluistering van een lichaam toont. Het portret laat een slachtoffer zien, gevangen, vernederd en gemarteld. Je schrikt wanneer je beseft dat je kijkt naar iemand die het slachtoffer van zichzelf is. Hier is een keiharde oorlog tegen het eigen lichaam gevoerd, een nietsontziende strijd tegen het vlees. De fotograaf is het niemandsland ingetrokken en confronteert je met het het slagveld in al zijn naakte verschrikkingen.

In het overzichtsboek van Mapplethorpe's werk wordt de nadruk op de omstreden sado-masochistische foto's gelegd doordat ze tussen rode tussenbladen zijn gevat. De samensteller doet in zijn nawoord wat vaag over de reden daarvoor, maar het is geen loos gebaar: die foto's vormen de kern van het oeuvre. Al zijn andere thema's, vrouwen- en mannenportretten, naakte lichamen, bloemen en, later, marmeren beelden, zijn te herleiden naar het helse theater dat hij in deze foto's opvoert.

De combinatie van seksuele onderwerpen en een nadrukkelijke esthetiek heeft ervoor gezorgd dat Mapplethorpe vaak een hedonist is genoemd, zowel door voor- als tegenstanders. De wetenschap dat hij zelf deel uitmaakte van de donkere wereld die hij, vooral omstreeks 1980, vastlegde, leidde automatisch tot de conclusie dat hij dan ook wel de bedoeling gehad zou hebben die wereld te verheerlijken. Vooral zijn liberale verdedigers in Amerika hebben er alles aan gedaan de werkelijke betekenissen van Mapplethorpe's werk aan het zicht te onttrekken; de sadomasochistische foto's werden door hen met groot optimisme geïnterpreteerd als een blijde seksuele boodschap, als een handboek bij een Teleac-cursus SM. Of ze reageerden antropologisch en zagen de foto's als gestileerde verslagen uit een onbekende, interessante subcultuur òf ze zetten een grote esthetische bril op om voorbij de seks te kunnen kijken. Camille Paglia, die in haar bundel Sex, Art, and American Culture een schetsmatig, maar allesbehalve oppervlakkig artikel aan Mapplethorpe wijdt, hoont terecht “de pogingen van zogenaamde "experts' (-) om dingen te prijzen als "het centraal staan van de onderarm' in een foto van Mapplethorpe waarop een man een andere vuistneukt.”

Bevrijding

De denkfout die de liberale pleitbezorgers van Mapplethorpe maken, is dat seks gelijk zou staan aan bevrijding. Wie de foto's tussen de rode bladen bekijkt, moet wel iets in zijn ogen hebben, wil hij niet zien dat bij Mapplethorpe seks staat voor gevangenschap. Het mannenlichaam is een ijskoude isoleercel: keer op keer wordt die boodschap er door de fotograaf bij de toeschouwer ingehamerd, zo vaak en zo scherp uitgelijnd, dat eerder sprake is van een over- dan understatement.

Het vlees wordt vastgebonden, ingesnoerd, gestriemd en gekerfd, geslachtsdelen worden met messen bewerkt of geketend, de anus van een man wordt op een groteske manier gepenetreerd. De ene man vernedert de andere, een man mutileert zichzelf; tevergeefs, ontsnappen is onmogelijk. Tevreden SM-ers zullen het een schandelijke interpretatie vinden, maar wat Mapplethorpe laat zien in deze foto's is een ondraaglijk lijden. Wat het portret van Ken zo schokkend maakt, is dat hij genomen werd in 1978, toen van Aids nog geen sprake was; de foto is doortrokken van doodsangst.

Mensen die zich niet willen laten schokken door de kunst van Mapplethorpe, kunnen hun toevlucht zoeken in een veilig kunsthistorisch kader: Rimbaud, Baudelaire, Artaud, de goddelijke markies. Wie maar lang genoeg zoekt, ontdekt tot zijn geruststelling dat alles ooit wel eens eerder is gedaan. Dat lijkt waar, ook in het geval van Mapplethorpe, maar het is het uiteindelijk niet: tegen de nietsontziende manier waarop Mapplethorpe ons met zijn waarheden confronteert, is de kunstgeschiedenis niet opgewassen. De thema's mogen bekend zijn, het besef van hun geldigheid doet pijn.

Het is een koud, constaterend oog waarmee de doodsangst van Ken is vastgelegd. Mapplethorpe is een estheet, maar zijn estheticisme dient alleen om zijn waarheid zo naakt mogelijk te tonen. Vergelijk Mapplethorpe's foto's met de arcadische zachtheid van Bruce Weber of de opgeruimde decadentie van Hans van Maanen en Erwin Olaf en je weet dat de ene homo-erotische fotograaf de andere niet is. Je zou kunnen zeggen dat Mapplethorpe juist door zijn onderkoelde gevoel voor strakke vormen en harde lijnen waarmee hij naakte lichamen fotografeert, die lichamen van hun eigen vleeslijkheid redt. Hij maakt ze tot iconen, van religiositeit doortrokken beeltenissen van sterfelijk vlees, behouden gemaakt door de kunstenaar.

Hulpeloosheid

Memento mori, dat is ook de boodschap van veel portretten van Mapplethorpe. De foto's die hij maakte van Andy Warhol in 1986 laten zien dat zelfs het kunstenaarschap niet opgewassen is tegen de dood. Ze laten, opnieuw, een ontluisterd gezicht zien, een gezicht dat nadrukkelijk uit een doodshoofd met vlees bestaat; de angst en hulpeloosheid houden zich op in de ogen. Niet alle portretten van Mapplethorpe zijn even geïnspireerd en ook in dit boek staan enkele nietszeggende foto's van mensen, maar over het algemeen kun je stellen dat de mannenportretten hetzelfde laten zien als de sadomasochistische scènes. Het is een boodschap met een middeleeuwse onverbiddelijkheid die Mapplethorpe je in je gezicht slingert: alle vlees is als gras.

Wie in het boek schittert door afwezigheid is God. Over de SM-foto's merkt Camille Paglia op: “De verlaten seksuele personae uit deze horrorshow-scenario's jagen een metafysische waarheid na.” Het lichaam alleen is niet genoeg; ook daarom hebben deze foto's niets te maken met porno. De ontluistering is des te groter omdat veel homoseksuelen aan het einde van de jaren zeventig nu juist wel het lichaam tot God zelf hadden verheven. In de ideologische bevlogenheid waarmee het ideaal van de volmaakte lichamelijkheid toentertijd werd uitgedragen, stond seks wel degelijk gelijk aan bevrijding. Aids rekende begin jaren tachtig hardhandig af met dat optimisme, maar al eerder waren de pijnlijke beperkingen van het ideaal zichtbaar geworden; wellicht zijn het de verschrikkingen van de ziekte geweest die de ideologen van toen tot nu toe verhinderd hebben rekenschap af te leggen over die periode. Omdat Mapplethorpe deelnam aan het milieu dat hij verbeeldde, heeft men hem lang voor dat ideologische karretje weten te spannen en nog steeds lopen er in Amerika genoeg critici rond die hun ogen stijf gesloten houden en zijn foto's zien als een aanklacht tegen de universele onderdrukking van de homoseksueel.

Maar Mapplethorpe maakte kunst, geen pamfletten. Zijn foto's bieden geen uitzicht op bevrijding, behalve dan in de dood. Wat ze wel kennen is het verlangen. Bij Mapplethorpe richt dat verlangen zich op wat hij zelf niet is: op vrouwen, zwarte mannen en bloemen. Het zijn de foto's van naakte zwarte lichamen die zich met hun perfecte vormen te weer stellen tegen het verval; hun torso's, dijen, ronde billen en zware geslachten lijken te ontsnappen aan de zwaartekracht van de tijd. Juist omdat het hier om onmiskenbare erotische idealisering gaat, vind ik dit de minst overtuigende foto's uit Mapplethorpe's oeuvre; in sommige gevallen vervalt hij duidelijk tot de kitsch van de "natuurlijke neger' à la de antropologische documentaires van Leni Riefenstahl (zie bijvoorbeeld de serie naaktportretten van Thomas, uit 1987).

Vrouwen in portretten van Mapplethorpe zijn altijd ongenaakbaar. Hun naakte lichamen maken stuk voor stuk een onverwoestbare indruk, maar zijn ook gespeend van iedere erotiek. Zij streven geen bevrijding door middel van seks na, integendeel, ze lijken zich voorgoed van seks bevrijd te hebben. Veel van Mapplethorpe's prachtige vrouwengezichten worden ondersteund door harde materialen: glanzende sieraden die de onkwetsbaarheid van het model nog eens onderstrepen. Francesca Thyssen, Paloma Picasso, Sigourney Weaver, Grace Jones en Miep Brons, in hun ogen niet de gelaten wanhoop die je bij zoveel van de mannelijke kunstenaarsportretten aantreft. Ze lijken tegen alles bestand, in een volmaakt evenwicht in een materiële wereld. Het is society-fotografie van de hoogste orde; de geportretteerden zijn één met hun omgeving.

In haar artikel over Mapplethorpe stelt Paglia dat zijn bloemenportretten teleurstellen, omdat het geen echte fleurs du mal zijn. Maar dat is nu juist wat ze niet willen zijn. Met de bloemen die Mapplethorpe tijdens de laatste jaren van zijn leven fotografeerde, toen zijn dood door Aids zich nadrukkelijk had aangekondigd, streefde hij juist een perfecte onschuld na, een verbeelding van een levende vormen die vrij waren van de beproevingen van het lichaam; door de bloemen te fotografen op hun moment van volmaaktheid, werden ze als het ware gevrijwaard van verval en verrotting. Wat het lichaam betrof, zijn naaktportretten werden abstract - een oksel, een navel - of hij portretteerde Griekse marmeren beelden, de apotheose van mannelijke schoonheid èn onvergankelijkheid.

Maar niemand kan zich wapenen tegen datgene waar Mapplethorpe tegen streed. Uiteindelijk gaf het leven hem gelijk: het schokkende laatste zelfportret uit 1988, met het stervende gezicht en de wandelstok met de doodskop, straalt naast ontreddering ook iets van triomf uit: I told you so. De symboliek is plat - twee doodshoofden, de één dood, de ander levend - maar Mapplethorpe wil ook helemaal niet subtiel zijn. Deze foto wil huivering wekken. Verbeten is de blik waarmee hij in zijn eigen camera kijkt. Hier wordt de kijker een bitter lesje geleerd: heden ik, morgen gij; het lichaam kooit de geest; de enige waarheid is de dood.