De liefde is een misverstand; De sensuele brieven van D 'Annunzio

Gabriele D'Annunzio: De spiegel van Narcissus (Brieven aan Eleonora Duse en andere geliefden). Vert. Tine Riegen en Anna Maria Domburg. Uitg. Plantage/G. & S., Leiden, 240 blz. Prijs ƒ 36.50

Als er ooit een schrijver is geweest die met succes de publiciteit heeft gezocht, dan is het wel de Italiaan Gabriele D'Annunzio (1863-1938). Hij slaagde erin om meer dan vijftig jaar lang op spectaculaire wijze de aandacht van zijn tijdgenoten gevangen te houden. Dat deed hij niet zozeer door de tientallen romans, gedichtenbundels en toneelstukken die hij schreef alswel door zijn geruchtmakende manier van leven. Zijn bestaan was een opzienbarend continuüm van schandalen, echtscheidingen, duels, politieke stunts, processen, redevoeringen en heldendaden.

Hoe bewust hij ernaar streefde om zijn leven tot kunst te verheffen blijkt onder andere uit zijn roman Il piacere. Daarin verklaart de hoofdpersoon (een alter ego van D'Annunzio): “Je moet je eigen leven maken zoals je een kunstwerk maakt. Het leven van een intelligent man moet een werkstuk zijn van hemzelf. (-) Je moet ten koste van alles je vrijheid bewaren, zelfs al word je erdoor bedwelmd. Habere, non haberi, dat is de leefregel van de mens die weet te denken”.

In D'Annunzio's leven speelden vrouwen een niet geringe rol (om maar eens een understatement te gebruiken). Hij trouwde, toen hij twintig was, met de hertogin Maria Hardouin di Gallese, maar dit huwelijk liep al na enkele jaren stuk. Vanaf dat moment vertoonden zijn liefdesrelaties de regelmaat van een op hol geslagen klok: minnaressen, cocottes, ma^itresses, prostituées en geliefden volgden elkaar in snel tempo op, en de ene liaison was nog niet ten einde of de andere was al weer begonnen.

Al deze vrouwen, maar toch vooral die met wie hij een duurzame verhouding had, werden door hem bestookt met brieven, soms verscheidene per dag. Van deze brieven is nu onder de psychologisch aanvechtbare titel De spiegel van Narcissus een flinke selectie in het Nederlands vertaald. Het betreft brieven aan Barbara Leoni, Eleonora Duse, Nathalie de Goloubeff en Angèle Lager, respectievelijk een vrouw uit de Romeinse society, een beroemde toneelspeelster, een Russische gravin en een Franse gezelschapsdame. De verschillen tussen deze vier vrouwen verduidelijken het beeld van D'Annunzio's persoonlijkheid: zijn lichamelijke passie voor Barbara staat naast zijn meer intellectuele band met Eleonora, zijn pathetische relatie met Nathalie naast zijn languissante liefde voor Angèle.

Lusten

De liefde is in de ogen van D'Annunzio "een wreed misverstand, onderbroken door de dwaze vervoering van blinde lusten'. Het geestelijke aspect ervan ontgaat hem grotendeels, en als het hem een keer nét ontgaat, dan staat hij er machteloos tegenover: “Geen enkel menselijk schepsel”, zo zegt hij, “kan volledig begrepen en bezeten worden door een ander menselijk schepsel.”

Toch kan hij zonder vrouwen niet leven. Steeds weer knoopt hij nieuwe relaties aan en steeds weer schrijft hij nieuwe brieven. De hartstocht waarmee hij bemint vertaalt zich in de hartstocht waarmee hij schrijft. “Een brief”, zo verzucht hij, “kan voor een minnaar de oorzaak zijn van ontelbare kwellingen en ontelbare smartelijke hersenschimmen, ontelbare denkbeeldige twijfels en ontelbare illusies”. Het is duidelijk dat veel van wat hij op papier zet verband houdt met zijn egocentriciteit: “Ik heb er behoefte aan te worden geliefkoosd, te worden gewiegd, te worden getroost, in slaap te worden gezongen met een wiegeliedje, als een ziek kind”.

Maar ook al plaatst de schrijver zich voortdurend in het middelpunt, het is zeker niet zo dat hij geen aandacht schenkt aan zijn geliefden. Integendeel, zijn correspondentie zit vol met prachtig gestileerde passages, waarin hun vrouwelijke charmes (vooral de lichamelijke) "nu eens wild en dan weer teder' worden geschilderd. Deze erotische beschrijvingen in zijn brieven maken op mij een veel oprechtere indruk dan soortgelijke passages in zijn romans, die doorgaans bol staan van pathos en retoriek.

Wat als belangrijkste en meest constante karaktertrek uit D'Annunzio's brieven naar voren komt, is zijn ongewoon sterke sensualiteit. Deze sensualiteit, die zich op elke bladzijde manifesteert, kan letterlijk vertaald worden met het woord zinnelijkheid. Het zinnelijke of, misschien beter, het zintuiglijke van D'Annunzio's schrijverschap drukt een zeer speciaal en persoonlijk stempel op zijn brieven. Het is nauw verbonden met zijn esthetische schoonheidsbeleving en zijn "decadente' natuurgevoel. Als hij zich temidden van een lieflijk landschap bevindt, ziet hij bloeiende sinaasappelbomen, hoort hij nachtegalen zingen, ruikt hij de geur van lavendel, proeft hij smakelijke vruchten en voelt hij de warmte branden op zijn huid. Of, om het op zijn geliefden te betrekken: hij geniet van hun goddelijke oogopslag, hun welluidende stem, het parfum van hun haren, de smaak van hun kussen en de geurende naaktheid van hun lichaam.

Deze esthetiserende sensualiteit strekt zich ook uit tot zijn manier van schrijven, waarin speelsheid en taalgevoel samengaan. Hij verlustigt zich erin om zijn geliefden met bizarre koosnaampjes aan te spreken, hij voorziet zijn teksten van motto's en raadseltjes, hij verzint legio variaties op zijn eigen naam, en hij strooit met tientallen en tientallen citaten. Zijn mimetische gevoeligheid voor taal is zo groot dat hij zinnen die hij eenmaal gelezen heeft bewust of onbewust laat terugkomen in de vorm van reminiscenties. Zo noteerde ik, zonder de Italiaanse tekst erbij te hebben, echo's van Leopardi, Catullus, Dante, Martialis, Vergilius en de Bijbel.

Dit taalkundig perceptievermogen van de schrijver komt ook tot uiting in zijn woordenschat, die niet alleen bloemrijk en weelderig is, maar ook uiterst gevarieerd. Misschien is het in dit verband aardig te vermelden dat een Tsjechisch onderzoek heeft uitgewezen dat D'Annunzio's vocabulaire tot de rijkste van de wereldliteratuur behoort: in zijn opera omnia komen maar liefst 40.000 verschillende woorden voor, een aantal dat de 24.000 van Shakespeare en de 20.000 van Goethe verre overtreft.

Deze uitgave van D'Annunzio-brieven is om allerlei redenen de moeite waard. Zij biedt, mede dankzij de stilistisch fraaie vertaling, de mogelijkheid om zonder omwegen kennis te maken met een van de belangrijkste representanten van het Europese decadentisme. Ook de uitvoerige inleiding van Jan Paul Hinrichs draagt niet weinig aan de verheldering van D'Annunzio's raadselachtige image bij. Wie in de schrijver zelf of, meer in het algemeen, in het fin de siècle en alles wat daaruit voortvloeit geïnteresseerd is, doet zich met de laanschaf van dit boek zeker een plezier.