DE HELDERZIENDE MET DE TEKENPEN; Saul Steinberg kijkt naar Amerika

De tekenaar Saul Steinberg heeft een feilloze tekenaarsblik: als hij door een stadsgezicht, een landschap of welk tafereel dan ook wordt getroffen, verbaast het hem "dat er geen handtekening onder staat'. In de verzameling The Discovery of America kan men zien dat het helaas niet goed gaat met de westerse wereld.

Saul Steinberg: The discovery of America. Uitg. Alfred A. Knopf, 208 blz. Prijs ƒ 102,95

Eerst Saul Steinberg bekijken en dan Amerika ontdekken, of eerst Amerika zien en dan Saul Steinberg ontdekken? Nog altijd ben ik ervan overtuigd dat het voor iedere denkende Europeaan het beste is, de eerste kans aan te grijpen om zelf naar Amerika te gaan en daar een boek van Steinberg te kopen, liefst op de laatste dag en dan in het vliegtuig zich te verbazen over wat men heeft gezien. Maar het kan ook op de eerste manier, zoals mij is overkomen. In 1954 kocht ik Steinbergs verzameling The Passport. Twee jaar later kwam ik voor het eerst in New York, met de bus uit de richting Newark. Het was alsof de stad door Steinberg was ontworpen: eerst het terrain vague, de rangeerterreinen en industriegebieden met op de achtergrond de skyline, dan onder de Hudson door en het eigenlijke entree: Hell's Kitchen, en tenslotte de stadsspelonken van Midtown. Ik had het allemaal al gezien, scherper dan toen ik het voor het eerst in drie dimensies zag. Ik voelde de glimlach der tevredenen: dat iemand het zó goed kan weergeven; dat het mogelijk is een weergave te maken die meer is dan de werkelijkheid.

Ik noem twee openbaringen, jammer genoeg niet opgenomen in de verzameling The Discovery of America, het boek dat de aanleiding tot deze kleine beschouwing is. De wolkenkrabber die bestaat uit een ladenkast, en de gevelwand met het hotel van de biedermeierkast, de schoenendoos en de gescheurde jutezakken. Daar valt niets aan toe te voegen: zo is New York, niet overal natuurlijk, ook heel anders, ook in andere metaforen door Steinberg vastgelegd, maar onmiskenbaar op deze roestige, afgebeulde niettemin zeer levende manier bijvoorbeeld in Lower Manhattan. Een van de onbeschrijflijke geheimen van de stad is dat ze oud is, gebladderd, krom, berookt, conservatief, en dat ze daarin alle grillen, de verse veerkracht van haar jeugd heeft bewaard, de permanente décollage, ook nu nog als je goed kijkt. Als we ons netvlies in sectoren van een vierkante millimeter konden verdelen zouden we, kijkend naar New York, op iedere eenheid meer zien dan op het totaal in welke plaats dan ook in Nederland. New York is de dagelijkse praktijk van het geleefde surrealisme. Dat - om te beginnen - is door Steinberg vastgelegd.

The Discovery of America zou doen vermoeden dat hij zijn ontdekkingen tot dit land beperkt heeft gehouden, maar hetzelfde heeft hij gedaan voor Italië en Frankrijk, zij het in beperkter mate. Hetzelfde voor de duizenden andere onderwerpen waardoor zijn blik de afgelopen halve eeuw werd getroffen. Steinberg is helderziend, niet in de betekenis dat hij de toekomst kan voorspellen maar door zijn verklaring van wat is of is geweest. De getekende metaforen zijn definities. Alleen al daarom verdient het aanbeveling te vragen of hij eens naar ons land komt om ons te laten zien waar we eigenlijk wonen, wat onze verschijning waard is en welke beschaving we er op na houden.

Steinberg is in 1941 naar de Verenigde Staten gekomen, niet volgens de toen gebruikelijke manier de Hudson opgevaren maar in Miami aan land gegaan, in Florida, staat van de ouden van dagen, de wanstaltigheden van de gehypertrofiëerde art deco, de grootste onder de te grote auto's, de grootste collectie Amerikaanse absurditeiten beschenen door de hardste zon. Dit, verklaren sommige kenners van zijn werk, is van doorslaggevende betekenis geweest omdat de lijnen van het art deco zo'n grote rol in zijn werk spelen. Als hij er kans toeziet gebruikt hij de vormen die de Wurlitzer jukebox kenmerken: de Wurlitzer als tempel van de Amerikaanse Pop. 't Kan waar zijn maar meer dan één verklaring voor een enkel deel van het oeuvre is het niet.

Majorettes

Een korte en oppervlakkige inventarisering leert al dat er tenminste zes categorieën zijn: de stadsgezichten en de landschappen, de dieren, de mensen in hun leeftijden, zeden en gewoonten, de stijlen, de documenten, de cartoons. Binnen die categorieën is weer een zo grote verscheidenheid dat we gemakkelijk nog wat subcategorieën zouden kunnen stichten zonder de logica van de ordening geweld aan te doen. In de afdeling mensen zijn er bijvoorbeeld de majorettes, de echtparen, de cowboys, de gasten op cocktailparties, stuk voor stuk verschijningsvormen die Steinberg tot afzonderlijke monografieën hebben gebracht. In het hoofdstuk steden zijn er de architectuurstudies, de panorama's, de toestanden van het verkeer en kenschetsen van een totaal zoals ik hierboven bedoelde toen ik de Newyorkse gevelwand van jutezakken en biedermeier noemde. De inventarisering in haar geheel wordt bijeengehouden door deze noemer: niets van het kenmerkende ontsnapt zijn oog terwijl alles verschijnt alsof het voor het eerst was gezien. Dat is de enige grondslag voor de geslaagde metafoor. Steinberg zelf heeft het anders uitgedrukt: als hij door een stadsgezicht, een landschap of welk tafereel dan ook wordt getroffen, verbaast het hem "dat er geen handtekening onder staat'.

Die blik is meestal het begin van een getekend essay. Zo is er het essay van de typering der karakters waarbij het idioom wordt gevormd door de zelf gedragen handtekening. Er zijn punthoofdige geesten die balanceren op de dunne lijn tussen twee gekalligrafeerde hoofdletters, de simpele analfabeet die een kruis door zijn eigen kinderportret zet, iemand wiens hele hoofd is verdwenen in krullen en halen, enz. In hoofdstuk twee van dit grafisch essay zijn de handtekeningen vervangen door stempeltjes - een Feingeist draagt fragile - en in hoofdstuk drie torsen de hoofdpersonen hun eigen borstbeelden of zwaaien een vaandel met hun portret. Zo zijn er het essay van de rokerige biljardzaal, de cocktailparty, opkomst en neergang van de carrièremens, het moderne huwelijk, de tentoonstellingsbezoekers die de stijl van het voorwerp hunner bewondering aannemen, en nog een ongeteld aantal andere onderwerpen. Al die essays bij elkaar vormen weer een grafische Comédie humaine.

Steinberg is met reeksen kunstenaars vergeleken maar voorzover ik weet nog niet met Grandville, de Franse tekenaar uit het midden van de vorige eeuw die zich in zijn Métamorphoses du jour bediende van aan Steinberg verwante beeldspraak; liever gezegd kortsluiting van beeld op beeld. Grandville is beroemd geworden door zijn vermenselijkte dieren, maar in zijn zeer uitgebreid oeuvre is veel meer waardoor hij tot dezelfde familie als Steinberg hoort. Voor alle duidelijkheid: er is niets in de stijl of de enorme collectie van vondsten waardoor we zouden kunnen beweren dat Steinberg een epigoon van Grandville zou zijn. Ze horen tot dezelfde familie door hun wijze van kijken, door de merkwaardige, zeldzame kortsluiting die in de hersenen van maar weinig mensen tot stand komt, die niet te leren valt maar die er is of er meestal niet is.

Grandville deelt bijvoorbeeld zijn belangstelling voor "de ongelukkige samenloop van omstandigheden' met Steinberg. Bij eerstgenoemde drukt zich dat onder meer uit in een aantal voorstellingen die laten zien in hoeveel variaties men kan uitglijden. Steinberg tekent een cocktailparty waar alle gasten een onderdeel van een ingewikkelde Calder-achtige lamp op hun hoofd krijgen. Bij Grandville komt er een kwaadaardig schilderij uit zijn lijst; anderhalve eeuw later komt er in cartoons en griezelfilms van alles en nog wat uit het platte vlak. De vondst heeft zich tot truc en gemeenplaats ontwikkeld. Nergens zal men bij Steinberg een truc of gemeenplaats vinden.

Mickey Mouse

In het jaar dat Steinberg eenenvijftig jaar in Amerika woonde was het vijfhonderd jaar geleden dat Columbus het werelddeel had ontdekt. Ter gelegenheid van een en ander is de collectie The Discovery of America verschenen, een bloemlezing uit de Amerikaanse tekeningen, van de eerste jaren tot heden, met een voorwoord van Arthur C. Danto, kunstcriticus van de New York Times. Het is een prachtig boek en Danto slaat menigmaal de spijker op de kop, maar dit gezegd hebbend, en ook nog dat het in geen Steinbergverzameling mag ontbreken, vind ik dat het niet meevalt. Anders gezegd: in de latere jaren van Steinbergs Amerikaanse Comédie humaine herken ik de mijne niet meer met de kracht van de openbaring die zijn werk nog een jaar of tien geleden eigen was. Hoe komt dat.

De metaforen van de kunstenaar hebben een zware wending genomen, zoals op z'n duidelijkst wordt geopenbaard in zijn portret van de familie Mickey Mouse bewapend met allerhande steek- en schiettuig. Uit het kritisch commentaar van John Updike in de New York Review of Books vis ik een citaat van weer een andere beschouwer, Adam Gopnik: “Steinberg is, gedreven door de nauwgezetheid van zijn sociaal bewustzijn, ertoe gekomen de trekken van ons hedendaags fascisme te schetsen, een fascisme als een merkwaardig modern complex van wreedheid, een huwelijk tussen showbiz glamor en sadisme, een huwelijk tussen opgedirkte seks en koud geweld.” Of zoals Steinberg zelf het heeft genoemd: de Mickey Mouse brutality. Die diagnose liegt er niet om. De selectie uit de tekeningen van de laatste ongeveer tien jaar is ermee in overeenstemming.

En ja, het is jammer maar er is veel mis in Amerika, het land van de schoolkinderen die elkaar en de leerkrachten met kruit en lood te lijf gaan. De oude Steinberg, die van de scherpe, tegelijkertijd ironische metafoor zien we nog aan in de eerste jaren van het Reagan-tijdperk: de fantasieloze gebouwen met hun opscheppersopschriften die samen het woord TRASH vormen. Vier jaar later tekent hij een Newyorkse straat als een losgebroken gekkenhuis. Als we onze oren en ogen de kost geven moeten we toegeven dat tegen die visie niets valt in te brengen. Er is, zoals iedereen niet alleen in New York maar ook in Amsterdam persoonlijk kan ervaren, een alledaags straatfascisme. Ik dacht nog aan hem toen ik onlangs op de televisie een pitbull en zijn eigenaar zeg: wie was daar mens, wie hond? Het ontbrak de hond aan een postmodern jack; de eigenaar aan een halsband met spijkers.

Het is spijtig dat er veel mis is in de westelijke beschaving, niet alleen omdat we ons daar dagelijks in bewegen. Het is ook spijtig voor de kunst van Steinberg. De zwaarte der tijden laat zich blijkbaar niet combineren met de vrolijke, glashelder openbarende metaforen die veruit het grootste deel van zijn werk kenmerken. Het meest recente werk heeft iets grüblends gekregen en is daarom ook vatbaar voor een grüblende exegese.

Dit overwegend kom ik tot mijn laatste aanbeveling voor The Discovery of America. Wie een kunstenaar dierbaar is wil zijn hele ontwikkeling volgen. Daarbij is dit boek onmisbaar. Het zal ook prikkelend zijn voor degene die hier voor het eerst Steinberg in een grote verzameling onder ogen krijgt. Uit eerdere perioden is veel weggelaten dat we in The Passport, All in Line en The Art of Living vinden. Er zou eens een begin moeten worden gemaakt met de uitgave van het verzameld werk zoals dat voor Grandville is gedaan. Een reusachtige opgave omdat Steinberg nu al ongeveer twee maal zo lang heeft geleefd als de Fransman en tot onze vreugde niet is uitgetekend.