Westerterp deed alles om opties bekend te maken; "Mister Optie' neemt na vijftien jaar afscheid van Amsterdamse Optiebeurs

AMSTERDAM, 11 FEBR. Tjerk Westerterp (62) is iemand die hoog en met veel bombast inzet. Dat deed hij als minister van verkeer en waterstaat. Hij wilde een gesloten dam in de Oosterschelde. Het werd een half-open dam. Hij zette eind 1991 hoog in als directeur van de EOE-Optie beurs. Hij wilde de vloerhandel helemaal afschaffen en overgaan op een beeldschermenhandel. Nu komt er een gemengd handelssysteem.

Drs T.E. Westerterp maakt zijn laatste week als directeur van de EOE-Optiebeurs vol. Maandag heeft hij precies vijftien jaar deze functie bekleed en neemt zijn opvolger, de outsider mr. Joost Kuiper (ex-Granaria), de scepter over. Om te voorkomen dat hij tientallen afscheidsinterviews (“daar houd ik niet zo van”) moest afgeven, had hij besloten de financiële pers tijdens een lunchbijeenkomst nog eenmaal te woord te staan. Afgelopen zaterdag hadden het personeel van de optiebeurs en de optiehandelaren een partijtje voor hem georganiseerd. Hij kreeg een schilderij met een afbeelding van het gebouw van de Optiebeurs cadeau. Aanstaande zaterdag wordt hij in de wintertuin van hotel Krasnapolsky in Amsterdam uitgewuifd door externe relaties zoals bestuursleden van genoteerde ondernemingen.

Het initiatief om een beurs voor afgeleide produkten of opties op te richten, was afkomstig van de toenmalige voorzitter van de Amsterdamse effectenbeurs en oud-minister van justitie mr. F. Korthals Altes. In Europa bestonden zulke beurzen nog niet. De optiebeurs in Chicago die sinds 1973 functioneerde, diende als voorbeeld.

Westerterp werd in 1978, toen zijn ambtsperiode als minister van verkeer en waterstaat in het kabinet-Den Uyl was verstreken, door een headhunter benaderd voor de functie van eerste Nederlandse Optiebeurs-directeur. “Een oude bekende kwam in opdracht van Korthals Altes naar me toe en vroeg of ik soms geschikte kandidaten voor die functie wist. Nadat ik wat namen had genoemd, zei hij: laten we met die poppenkast ophouden. We willen jou als directeur.”

“Ik wist toen niets over opties. In het begin werd ook aangenomen dat de directeur vooral een manager moest zijn. Al gauw bleek je verstand van opties moest hebben voor deze functie”, zegt Westerterp.

In het begin van zijn carrière bij de Optiebeurs werd Westerterp gezien als een gemankeerde ex-minister die zich inzette voor een project dat weinig tot de verbeelding sprak. “Ik reisde dagelijks met de trein tussen Breda en Amsterdam. In het begin hoorde ik mensen wel eens fluisteren "hee, daar heb je de ex-minister van verkeer en waterstaat.' In de zomer van 1981 hoorde hij iemand hoorde zeggen "dat is Westerterp van de Optiebeurs.' “Het gaat de goede kant op, dacht ik toen.”

Westerterp had er ook alles aan gedaan ruchtbaarheid aan het fenomeen opties te geven. Hij reisde stad en land af om tijdens spreekbeurten voor particuliere beleggers de voordelen van het beleggen in opties keer op keer uit de doeken te doen. Op deze manier probeerde hij zijn klanten over de hoofden van het onwillige distributiekanaal (de banken) te bereiken. De Nederlandse banken stonden aanvankelijk sceptisch tegenover de optiehandel. In de loop der jaren zijn ze bijgedraaid. Onvermoeibaar legde hij uit dat het kopen van opties juist niet risicovol was, maar te vergelijken was met een verzekering tegen hevige fluctuaties van aandelenkoersen.

Hij vergrootte de naamsbekendheid van de Optiebeurs op onconventionele wijze door eerst voetbalclub Roda JC en later renpaarden te sponsoren. Westerterp gaf naar eigen zeggen “niet meer dan een miljoen per jaar” aan sportsponsoring uit. Verder frequenteerde Westerterp het soort feesten en partijen dat in de sociëty-rubriek van Stan Huygens in De Telegraaf wordt besproken. Volgens Westerterp waren deze bezoeken absoluut noodzakelijk om de Optiebeurs te promoten. “Ook als ik het niet leuk vond, moest ik naar sommige recepties als directeur van de Optiebeurs.”

Het duurde niet alleen een aantal jaren voordat het grote publiek Westerterp zag als "Mister Optie'. Ook de handelaren op de vloer hadden de eerste jaren zo hun twijfels. Hij gaat met de volgende verkiezingen weer terug naar Den Haag, luidde de veronderstelling. “Pas toen tijdens de verkiezingen bleek dat ik geen ambities had in die richting, werd ik door de mensen op de vloer echt aanvaard als een van hen”, zegt Westerterp.

De eerste jaren waren ook in financieel opzicht moeilijk. De jonge beurs leed jaarlijks miljoenen verlies en Westerterp moest “met de pet rond.” Begin jaren tachtig keerde het tij en won de Optiebeurs mede gesteund door een stijgend koerspeil snel aan populariteit. Sindsdien heeft de Optiebeurs in totaal 160 miljoen gulden netto winst geboekt. De schuld aan de effectenbeurs is tot op de laatste cent afbetaald en de leden van de beurs hebben van de winst 70 miljoen gulden uitgekeerd gekregen.

Toen de optiebeurs begon, was het de enige in Europa en werd er nog van uit gegaan dat er maar één optiebeurs in Europa zou komen. Die verwachting is nog terug te vinden in de naamgeving. Inmiddels zijn er 22 optiebeurzen in Europa en is de Nederlandse beurs qua omzet op de vijfde plaats beland na Londen, Parijs, Frankfurt en Zürich. De Amsterdamse optiebeurs zoekt nu naar mogelijke samenwerkingsverbanden met de andere Europese beurzen. Er zijn al gesprekken geweest met de optiebeurs in Frankfurt. Westerterp vindt wel dat de optiebeurs met zoveel mogelijk beurzen allianties moet kunnen sluiten en vrij moet zijn met zowel Londen als Duitsland zaken te doen.

De omzet in opties stagneert de afgelopen tijd. “Bij stijgende aandelenkoersen zijn beleggers toch eerder geneigd in opties te stappen, terwijl ze nu huiverig zijn”, aldus Westerterp. Het anticiperen op koersdalingen door het aanschaffen van zogeheten puts spreekt particuliere beleggers niet zo aan.

Westerterp heeft tijdens zijn directeurschap menig aanvaring gehad met de Amsterdamse effectenbeurs. “Dat lag deels aan mijn karakter, maar aan de andere kant is de Optiebeurs ook een grote gebruiker van de effectenbeurs.” Vooral de vorige commissaris van de notering, Van Outersterp, en Westerterp konden slecht met elkaar opschieten. “Als ik weer een fonds in de notering wilde nemen, zei hij "over mijn dooie lijk”, herinnert Westerterp zich.

Het grootste conflict in zijn loopbaan als Optiebeurs-directeur had Westerterp echter eind 1991 in eigen huis. Hij stelde toen voor de handel op de vloer (het "open outcry-systeem') helemaal af te schaffen en radicaal over te stappen op beeldschermen handel. Personeel van de optiebeurs en vooral de vloerhandelaren reageerden furieus. Er volgde een emotionele woordenstrijd die maandenlang voortduurde. “Het voorstel op zich was niet verkeerd, maar de manier waarop ik het presenteerde, is achteraf gezien mijn grootste fout geweest.” Het verzet van de optiehandelaren heeft er toe geleid dat er nu net als bij de effectenbeurs een compromis uit de bus is gekomen. De vloerhandel zal naast een nieuw geautomatiseerd systeem blijven bestaan. “De markt kan nu beslissen welk handelssysteem het beste is.”

Westerterp blijft verbonden met de Optiebeurs. Hij wil de Nederlandstalige Belgen een paar dagen per week vanuit een kantoor in Antwerpen overtuigen van de voordelen van opties. Want, terwijl in Nederland de omzet stagneert, stijgt de omzet in België nog steeds.