Vroeg

Het opstaan gaat met moeite. Je hebt afgesproken in Wapse en het is pas zes uur. De hele nacht door ben je wakker geschrokken om op de wekker te kijken.

Moedeloos op de rand van het bed. Alsof je naar de fabriek moet. Herinnering aan tijden van revolutionaire ijver en doffe vermoeidheid.

Dan eerst maar even met de hond naar de Oude Rijn. Hij mag niet mee vandaag. Daar in Wapse gaan we op haviken uit, daar kunnen we geen hond gebruiken.

De voormalige rivier ligt duister aan het jaagpad. Een eend schiet kwakend uit de kant. Het regent niet. Regen zou vallen. De druppels die je in je gezicht krijgt, staan roerloos in de lucht. Geen zuchtje wind. Dag na dag hetzelfde: nevels en verveling. De winter hangt als een doem over het land, een kolossale hoop stilstand en droefenis.

Alleen de geest beweegt. Bijna ongemerkt ontwaakt een nieuwe associatie met het vroege uur. Alsof je met vakantie gaat. Herinnering aan tijden van de jongens achterin en zonsopgang op de Autobahn.

Daar word je vrolijk van en energiek. En dat is nog vóór, in het pikkedonker, de tweede week van februari, een zanglijster zich aan het zingen zet. Het lukt niet erg, maar de bedoeling is helder. We krijgen er weer zin in.