"Valsche praalzucht' van Franse schilders

Tentoonstelling: Franse schilderkunst uit Nederlands Bezit, 1600-1800. T/m 7/3 in Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. Di t/m vr 10-17u, za en zo 11-17u. Catalogus ƒ 59,50.

Claude Lorrain dat is de zee; de zee en het licht dat op de golven weerkaatst. Tijdens het bezoek dat de Franse kunstenaar aan Napels bracht, zat hij urenlang aan de haven. Hij keek hoe de kleur van de golven veranderde naargelang er meer of minder licht op viel. Hoe het water verkleurde van gitzwart tot loodgrijs, hoe het azuurblauw van overdag 's avonds overging in parelmoer.

Terug in zijn atelier legde hij de zee vast zoals hij die zich herinnerde, snel met waterverf en krijt, daarna bedachtzamer met olieverf op doek. En dan ging hij fantaseren. Toverpaleizen en geïdealiseerde ruïnes verrezen langs de baaien. Mythologische wezens liepen over het strand tussen koeien, schapen en honden. Gewone stervelingen schilderde hij ook: ze staarden over het water, net als hijzelf, of roeiden in een bootje op weg naar God mag weten waar.

Op een tentoonstelling van ongeveer vijftig Franse schilderijen uit Nederlands bezit in Museum Boymans-van Beuningen hangen twee doeken van Lorrain. Het ene (1636-1637), stelt een duister landschap met dansende figuren voor. Op het andere (ca. 1647) kijk je uit over een baai die ingeklemd ligt tussen een uitkijktoren en - te oordelen naar de enorme slagschaduw die over het water valt - hoge bergen. In de verte, aan de horizon gloeit zonlicht zo zachtgeel als de veertjes van een piepkuiken. Het zeewater is daar nevelachtig blauw. Het is een klassieke kunstgreep die Claude toepast en die zijn werking niet mist. Door de coulisse-achtige opbouw van de voorstelling en het schrille contrast tussen de lichte achtergrond en donkere voorgrond zuigt de kunstenaar je weg van de plaats waar je staat. Daarheen, naar die oplichtende kim.

Claude Lorrain (1600-1682) was met zijn voorkeur voor ingetogen landschappen en zeegezichten een van de meest gezochte Franse schilders in Nederland. Twee schilderijen van hem in Rotterdam lijkt misschien weinig, maar is veel als je bedenkt dat Franse kunst door Nederlandse verzamelaars in de 18de en 19de eeuw maar mondjesmaat werd aangeschaft. Conservator Guido Jansen maakt in de catalogus de schatting dat slechts één op de zes geveilde buitenlandse schilderijen in de 18de eeuw van Franse afkomst was. Hollanders hielden van stillevens, landschappen en genrestukken - natuurgetrouw geschilderd zoals de 17de-eeuwse meesters dat deden. Van classicistische allegorieën of historieschilderingen, zoals Poussin, Le Brun en Bourdon ze maakte, moest men niets hebben. 'Valsche praalzucht' vonden veel Hollanders dit. Het mooiste compliment dat een buitenlandse kunstenaar kon krijgen was dat hij in de navolging van de natuur het geduld van de Hollanders had overtroffen. De stillevens van Chardin en Delaporte, waarvan er drie schitterende in Rotterdam te zien zijn, werden om deze reden geprezen en aangekocht.

Deze keuze van de Hollandse verzamelaars was niet alleen een kwestie van smaak: nationalistische sentimenten speelden ook een rol, zeker toen in 1795 de Franse troepen Holland binnenvielen en de Bataafse Republiek werd uitgeroepen. De Franse overheersing ging gepaard met een economische crisis en ontevreden blikte men terug naar tijden dat het beter ging. In het verleden zocht en vond men de inspiratie en eigenwaarde die de eigen tijd faalde te geven. De Gouden Eeuw was goed voor ten minste twee eeuwen nationaal réveil.

Pas aan het eind van de 19de en begin van 20ste eeuw werd die nationale oriëntatie minder, ook op kunstgebied. Met de Rotterdamse havenbaron D.G. van Beuningen als voortrekker ontstonden verzamelingen met een internationale signatuur, al bleven stillevens, portretten en landschappen populaire genres. Uit die tijd dateert ook de verwerving van fêtes galantes van Lancret en Pater, en van de enige Watteau in Nederland.

De tentoongestelde Franse schilderijen zijn van huiskamer-formaat, en dat maakt ze innemend. Pompeuze taferelen en geëxalteerde poses, zoals je wel in het Louvre aantreft, ontbreken. De schilderijen nemen maar drie zaaltjes in beslag. Maar wie wil zien, komt ogen te kort.