Steun mag niet op kosten van gezonde bedrijven; De Nederlandse industrie als geheel ontwikkelt zich helemaal niet slecht; Anno 1993 is het niet pompen of verzuipen voor het gehele bedrijfsleven

Het slechte nieuws over DAF, Fokker en Philips van vorige week maakte indruk, ook over de grenzen. De samenvatting van het wereldbedrijfsnieuws in The Economist noemde (helaas) drie berichten uit Nederland: DAF met dertienduizend banen in gevaar, Fokker waar in één dag 24 procent af ging van de aandelenkoers, en Philips dat ernstige tegenslag had bij de volgende generatie televietoestellen.

Terwijl vorig jaar Nederland in de luwte bleef van de economische tegenwind, want de groei bleef positief, de werkgelegenheid viel mee en de positie van de gulden in het EMS kwam geen moment in gevaar, lijkt het er nu op alsof na de recessies in Australië, de VS, Canada, Engeland, Scandinavië en Zwitserland uiteindelijk toch ook de Nederlandse economie moet inkrimpen. Is bovendien het slechte nieuws van DAF, Fokker en Philips een aanwijzing dat Nederland heeft gefaald met het industriebeleid, en moet onze regering zo snel mogelijk conclusies trekken uit de debâcles van de afgelopen week?

De problemen bij DAF zijn in hoge mate bedrijfs-specifiek en zeggen weinig over de algemene positie van de Nederlandse industrie. DAF is te klein om zelfstandig te overleven en de afzet van vrachtwagens was te afhankelijk van de zwakke en grillige Britse markt. DAF wilde, als de grootste producenten, hetzelfde complete scala aan vrachtwagens aanbieden, maar het marktaandeel van niet meer dan 7,3 procent was niet groot genoeg voor de vereiste schaalvoordelen van een massale produktie per type. Elders in Europa staat de vrachtwagenindustrie er trouwens ook niet zo goed voor, want Volvo, Renault en Fiat verliezen ook op de produktie van vrachtwagens. Geen wonder dat dan een kleine speler het eerst moet opgeven.

Bij Fokker speelt de sterke wisselkoers van de gulden ten opzichte van de dollar een grote rol, maar is opnieuw de omvang van het bedrijf waarschijnlijk de beslissende factor. Aangezien er sprake is van een overname door een Duitse fabrikant, is het in ieder geval moeilijk vol te houden dat de hoge Nederlandse loonkosten het grootste probleem zijn, want de lonen in de Duitse industrie zijn naar schatting nog twintig procent hoger. Als in de Verenigde Staten met een veel grotere thuismarkt en een heel gunstige wisselkoers niettemin Boeing naar schatting met twintigduizend banen moet inkrimpen, als wereldwijd bijna alle luchtvaartmaatschappijen verlies maken en er bovendien een overschot is aan vliegtuigen op de tweedehands markt, kan Fokker onder Swarttouw briljant gegokt hebben op de ontwikkeling van twee nieuwe toestellen en nu toch hulpbehoevend zijn, zonder dat dit direct ligt aan het management.

Philips kampt bij de consumenten-elektronica nu eenmaal met een Europese markt die veel meer versnipperd is dan die in de Verenigde Staten of Japan, en staat ook bloot aan het risico dat afspraken op EG-niveau over harmonisatie of subsidies niet op tijd tot stand komen. Het bedrijf is geen nuttige graadmeter voor de Nederlandse industrie als geheel, blijkend uit het feit dat Philips de vorige president ontsloeg in een jaar dat de Nederlandse economie uitstekend draaide, en ook uit de koers van het aandeel dat op de Amsterdamse beurs een eigen leven leidt.

Zo zijn er over ieder industrieel bedrijf wel specifieke details te vertellen, maar toch zou de rampspoed bij DAF, Fokker en Philips nog representatief kunnen zijn voor het hele Nederlandse bedrijfsleven. Naar de huidige inzichten is dat echter niet het geval. ABN-AMRO voorspelt een stijging van 9 procent voor de winsten van de Nederlandse beursfondsen. De kleinere, niet aan de beurs genoteerde bedrijven, moeten het meer hebben van afzet in onze regio en zullen dus te kampen krijgen met een gemiddelde winstdaling van 6-8 procent.

Kempen Capital Management is iets somberder en verwacht een winststijging van zeven procent voor het gemiddelde van de grote bedrijven aan de Amsterdamse beurs. CLN Oyens en Van Eeghen is daarentegen weer optimistischer en rekent met een winststijging van bijna 11 procent voor de beursgenoteerde bedrijven en 5 procent voor het hele bedrijfsleven inclusief het midden- en kleinbedrijf. Bij zulke prognoses weegt het belang van een paar procent meer of minder vooral voor de experts op de beurs als gevolg van de doorwerking van winstgroei op de aandelenkoersen.

Als het gaat om werkgelegenheid en economische groei, is vooral van belang op welk globaal niveau de winsten van het bedrijfsleven zich ongeveer bevinden en of dat voldoende is voor een normale ontwikkeling van de economie. Dan laten de cijfers zien dat zelfs wanneer de winsten nog wat slechter zouden uitkomen dan de meest conservatieve prognose van Kempen Capital Management, nog steeds de winstgevendheid van het Nederlandse bedrijfsleven in het algemeen comfortabel blijft. Volgens de indicatoren van het Centraal Planbureau is de winstgevendheid de laatste vijf jaar in een zone die twee tot drie keer zo hoog ligt als gemiddeld in de periode 1975-'83. Gelet op de winstcijfers gaat elke vergelijking met die moeilijke jaren mank en kan het Nederlandse bedrijfsleven weer tegen een stootje.

De Nederlandse industrie als geheel ontwikkelt zich helemaal niet slecht. Terwijl de laatste tien jaar de Nederlandse economie als geheel groeide met 2,5 procent, nam de produktie van de industrie sneller toe met gemiddeld 3,2 procent per jaar. Het Centraal Planbureau maakte onlangs drie scenario's voor de toekomst van de Nederlandse economie, en in alle drie scenario's groeit de industrie ook de komende vijftien jaar sneller dan de economie als geheel.

Toch verschuift het patroon van de bestedingen bij stijgende welvaart langzamerhand van industriële produkten naar dienstverlening, recreatie en toerisme. Bovendien is er de internationale tendens dat de rijkste landen in de wereld, waarvan Nederland er één is, zich verhoudingsgewijs specialiseren in dienstverlening, advieswerk, en informatievoorziening, terwijl assemblage van industrie-produkten steeds meer verhuist naar lage-lonen landen. Om beide redenen zou het dus helemaal niet alarmerend hoeven te zijn wanneer de groeivoet van de industrie in Nederland iets achter bleef bij het gemiddelde van onze economie, maar vooralsnog is het tegendeel het geval (uitsluitend in de periode 1974-1982 bleef de industrie achter bij de economie, maar in die jaren had Nederland dan ook te kampen met twee oliecrises en een minister-president die beweerde dat de enige sector van de economie die nog kon groeien de overheidssector was).

Hoewel dus de ontwikkeling van de industriële produktie gunstiger is dan logischerwijs zou passen bij de positie van Nederland als één van de rijkste OESO-landen, is het onvermijdelijk dat de werkgelegenheid in de industrie trendmatig verder terugloopt. Al in die periode vóór de eerste oliecrisis van 1973 daalde de werkgelegenheid in de Nederlandse industrie, hoewel toen in de gouden jaren zestig de produktie steeg met 6,5 procent per jaar. Door technische vooruitgang stijgt de produktiviteit in de industrie sneller dan in de dienstensector, het vervoer of het toerisme en dus is het realistisch om te verwachten dat ook in de toekomst de werkgelegenheid in de industrie zal blijven afnemen.

Hoe onvermijdelijk de relatieve teruggang van de werkgelegenheid in de industrie ook is, dat is geen troost voor de mensen bij DAF, Fokker of Philips die hun baan dreigen te verliezen. Hoe kan de politiek hen het beste helpen? In het algemeen niet door extra belasting te heffen bij de nog gezonde bedrijven en dat geld te besteden aan financiële steun voor een (bijna) failliete onderneming. Er zijn altijd uitzonderingen mogelijk, maar in het algemeen is het een slecht idee wanneer politici met belastinggeld hun industriebeleid gaan voeren. Al gauw betekent dat steun aan zwakke bedrijven die dan meestal toch niet royaal genoeg is voor nieuwe investeringen, zodat er wel uitstel, maar geen afstel komt van de uiteindelijke ondergang of overname.

Interessante uitzondering was het beleid van oud-ministers De Korte (en dertig jaar eerder Zijlstra) jegens Fokker, waarbij dat bedrijf juist wel de armslag krijgt om te investeren en bij te blijven. Wie gelooft in steun aan individuele ondernemingen moet inderdaad òf royaal zijn, òf het maar vergeten.

Het nog veel grotere gevaar van industriebeleid is de verleiding om dat toe te spitsen op de "high-tech' industrie uit de oppervlakkige gedachte dat die de toekomst zou hebben. Maar waarom zou een computer die helpt bij het ontwerpen van een nieuwe vrachtauto meer recht hebben op steun dan een computer die helpt bij voorraadbeheersing door Albert Heijn? Ahold heeft in Nederland twaalf keer zoveel werknemers in dienst als DAF en hun toekomstige werkgelegenheid hangt er onder andere vanaf of Ahold erin slaagt om met nieuwe snelle computers gegevens vanuit iedere winkelkassa direct te verwerken voor produktie en distributie. Dat vereist grote investeringen in computer-software, maar de politici zullen helaas bij subsidies voor research en development eerder denken aan de high-tech dan aan de kruidenier.

ABN-AMRO heeft in het binnenland bijna drie maal zoveel werknemers als DAF en Fokker samen en zal net als Ahold enorme investeringen moeten doen in automatisering om in de toekomst niet alle klanten dezelfde b^ete bijsluiters te hoeven sturen bij hun rekeningafschrift, maar eindelijk te kunnen overgaan op intelligente, gerichte marketing naar individuele rekeninghouders. En zo zijn er tal van andere grote Nederlandse bedrijven die huis-tuin-en-keukenprodukten of diensten afleveren, maar dat zo grondig anders moeten doen dan in het verleden, dat ze evenzeer behoefte hebben aan investeringsmiddelen als Fokker, DAF of Philips. Denk aan Douwe Egberts (22.000 werknemers in Nederland), CSM (3100), Wolters Kluwer (8500), Elsevier (7500) of Heineken (6000).

Koffie, suiker, de grote Bos Atlas, NRC Handelsblad en een glas bier: honderd jaar geleden bestonden ze ook al, maar het is een gevaarlijk misverstand te denken dat daarom hun producenten zichzelf wel kunnen redden en dat een industriebeleid bij voorrang moet helpen in de high-tech sector. Expres noem ik een aantal voorbeelden van grote, succesvolle Nederlandse ondernemingen die zonder kleerscheuren de wat mindere jaren 1992 en 1993 zullen overleven, maar geen baat hebben bij een industriepolitiek die geld kost dat moet komen uit hun winst of uit de loonkosten van hun werknemers.

De winst bij Elsevier en Kluwer zou dit jaar met 15 procent kunnen stijgen, bij CSM ook met 15 procent, bij Ahold met 10 procent en bij ABN-AMRO met 9 procent (cijfers van Kempen Capital management). Hun winst betekent meer werk en moet niet worden aangetast door zwaardere lasten ten behoeve van een kostbaar industriebeleid. Uiteraard komt een belangrijk deel van deze winststijging uit het buitenland, maar het gaat stuk voor stuk om succesvolle Nederlandse bedrijven die uit ons land willen blijven opereren.

Het scala van gezonde Nederlandse bedrijven is zo breed dat er geen reden is voor slordige vergelijkingen met de recessies in 1975 of 1980-'82. Daarom moet de aanbeveling aan de beleidsmakers deze keer ook anders zijn dan bij de vorige twee recessies. In 1975 ging het vooral om een dramatische daling van de investeringen die de regering-Den Uyl meende te kunnen opvangen met een sterke groei van de overheidssector. De bijbehorende stijging van de collectieve druk maakte het leven vervolgens alleen maar moeilijker voor de bedrijven zodat bij de volgende recessie in 1980-'82 niet alleen de investeringen nòg lager waren, maar ook de gemiddelde winstgevendheid en financiële veerkracht van het bedrijfsleven tot een onhoudbaar laag niveau waren gedaald.

Het ging er toen om de stijging van de collectieve sector een halt toe te roepen en de publieke opinie weer geloof te geven in een toekomst voor ons bedrijfsleven. Opinieleiders als dr. Wagner (ex-Shell) en dr. Kessler (De Nederlandche Bank) speelden daarbij een belangrijke rol. Anno 1993 is het niet pompen of verzuipen voor het gehele bedrijfsleven, maar moet het overheidsbeleid helpen om de succesvolle bedrijven nog wat minder te belasten en de economie sneller te laten reageren op de grote internationale uitdagingen.

Minister Andriessen helpt de werkgelegenheid wanneer hij flink volhoudt met de liberalisatie van het vestigingsbeleid in het midden- en kleinbedrijf, samen met staatssecretaris Van Rooy kartels afbreekt en zijn collega De Vries aanspoort eindelijk ruimte te bieden aan alle bedrijven zoals Swiss Bank en IKEA die sneller kunnen groeien met een eigen CAO dan in het keurslijf van de algemeen-verbindend verklaring. Stuk voor stuk maatregelen die geen cent extra belastinggeld kosten, maar wel banen scheppen.

En mocht Andriessen toch nog een "potje' hebben, dan liever voor exportpromotie naar Japan, Zuidoost-Azië en uiteraard Oost-Europa dan voor de Nationale Investerings Bank die rustig kan worden geprivatiseerd. En zullen we afspreken de pensioenfondsen hartelijk uit te nodigen (op de juiste condities) bij de HSL en de Betuwelijn, maar na alle slechte ervaringen van de jaren tachtig ze niet nogmaals met de haren erbij te slepen bij een misplaatst industriebeleid?