Röling

Over de "wetenschappelijke waarde' van het werk van Röling c.s. kan ik niet oordelen; Heldring doet dat trouwens evenmin in zijn column "Intellectuele zelfoverschatting' (NRC Handelsblad, 5 februari). Het komt hem natuurlijk goed van pas, dat het door Röling opgerichte instituut wordt opgeheven.

Voor menigeen was Röling op zijn minst een eminent en waardig vertolker van de grote verontrusting - door velen alweer vergeten - over de gigantische omvang van de wapenwedloop tijdens de Koude Oorlog, met daarin een toenemend economisch en dus ook maatschappelijk belang bij wapenontwikkeling, wapenproduktie en wapenhandel. Men vond het in die tijd nog wel eens nodig zich te "legitimeren' met een waarschuwing van Eisenhower: “against the acquisition of unwarranted influence, whether sought of unsought, by the military-industrial complex”. Onze huidige minister van buitenlandse zaken Kooijmans kan eerder als een geestverwant van Röling dan als het tegendeel daarvan worden beschouwd.

Voor zover ik kan nagaan heeft Röling zich over de mogelijke rol van "de kunstenaar' aanmerkelijk evenwichtiger en genuanceerder uitgelaten dan Heldring schrijft (Inleiding tot de wetenschap van oorlog en vrede, Van Gorcum 1968).