Paus levert fel kritiek op beleid Soedan

KHARTOUM, 11 FEBR. Voor meer dan 200.000 mensen heeft paus Johannes Paulus II gisteren in de Soedanese hoofdstad Khartoum geëist dat de moslim-fundamentalistische regering de vrijheid van godsdienst handhaaft. De vele christenen, veelal ontheemden uit het zwarte zuiden die wegens de oorlog daar naar het Arabische noorden zijn gevlucht, onder zijn gehoor tijdens een mis in de openlucht op het stoffige Groene Plein verzekerde hij dat “de hele kerk uw lijden begrijpt”. De paus, die Soedan aandeed op de laatste dagen van een reis door Afrika, vergeleek hun lijden met de kruisiging van Christus.

Vóór de mis las de paus de Soedanese president, generaal Beshir, de les over de schendingen van de mensenrechten in het land. Een functionaris in zijn gevolg noemde de taal van de paus de scherpste sinds hij Polen in 1979 bezocht. In bijna alle zes toespraken die hij in zijn 10 uur in Khartoum hield, kwam het thema van de mensenrechten terug. De paus had overigens geen ontmoeting met Hassan al-Tourabi, die wordt beschouwd als de werkelijke machthebber in Soedan.

De miljoenen Soedanese christenen staan onder toenemende druk van de autoriteiten, die sinds zij in 1989 aan de macht kwamen een politiek van islamisering hebben gevoerd. De regering in Khartoum op haar beurt is het onderwerp van groeiende internationale kritiek, mede in verband met de zeer slechte voedselsituatie in het zuiden als gevolg van de oorlog tegen de zwarte christelijk/animistische verzetsbeweging, en zij put zich de laatste tijd uit in verzekeringen van haar goede wil. Generaal Beshir onderstreepte gisteren tegenover de paus dat het bewind niet probeert de islamitische wet op te leggen aan de 30 procent niet-moslims. “De Koran en de traditie van de Profeet gelasten moslims niet-moslims, met name christenen, als broeders te behandelen.” Beshir sprak ook de beschuldigingen van wijd-verspreide schendingen van de mensenrechten tegen: “ons respect voor de mensenrechten is niet zomaar een politiek, het is een religieuze plicht”. Hij gaf “buitenlandse inmenging” en “laster door middel van hun grote massa-mediamachine” de schuld van de problemen van Soedan.

(AP, Reuter)