Onderwijsvakbonden

In W&O van 4 februari gaf Hendrik Spiering een toekomstbeeld voor scholen in een tijdperk van autonomie. Kort samengevat kwam het erop neer dat autonomie geen verbetering oplevert, maar de problemen naar de scholen doorschuift. De starre regelgeving van de overheid wordt vervangen door een even starre regelgeving van schoolbesturen en onderwijsvakbonden.

Het geschetste toekomstbeeld is merkwaardig. Het zou interessant zijn geweest als tevens mogelijke oorzaken voor falende autonome scholen zouden zijn gegeven. Nu heeft zijn betoog iets van: ""Het zou anders moeten, maar blijkbaar kan het niet anders''.

Zal de beschrijving van Spiering inderdaad in het jaar 2003 werkelijkheid worden? Misschien wel. Kan het ook anders? Jazeker!

Wil het onderwijs in de toekomst meer succes hebben dan nu, dan moet eindelijk het onderwijsbedrijf eens worden doorgelicht volgens eenvoudige economische principes. Eigenlijk is het allemaal erg simpel. Voor de onderwijsproduktie zijn produktiemiddelen nodig, waarvan kapitaal en arbeid de belangrijkste zijn.

In het onderwijsbedrijf is arbeid het belangrijkst: ruim 80% van de totale vergoeding voor produktiemiddelen gaat hieraan op. Met de aandacht voor de werkenden in het onderwijs gaat het om veel meer dan alleen maar rechtspositie. Het gaat dan vooral ook om arbeidsomstandigheden, taakbelasting, scholingsmogelijkheden etc. Helaas maakt de onderwijsstructuur het onmogelijk om de werkenden in het onderwijs die aandacht te geven die voor een goede onderwijsproduktie nodig is.

In de eerste plaats gaat men uit van de idee dat het huidige management de kwaliteit heeft om leiding te geven aan de autonome school. Schoolleiders die in het declaratiestelsel fungeerden als een soort boekhouders moeten in de nieuwe situatie ook echte beleidsmakers zijn. De ontwikkelingen bij het HBO en MBO laten zien dat daar grote twijfels op zijn plaats zijn. Daar komt nog bij dat schoolleiders bij fusies vooral ook bezig zijn om hun eigen positie te verbeteren of te behouden.

Met de andere partij in het overleg, de onderwijsvakbonden, is het even slecht gesteld. Een vergelijking tussen bedrijfs-CAO's en onderwijs-CAO's leert dat de onderwijs-CAO's povere resultaten opleveren. De kwaliteit van onderwijsvakorganisaties is blijkbaar beduidend geringer dan die van andere vakbonden. Buiten het onderwijs is er de tendens om meer differentiaties in arbeidsvoorwaarden te verkrijgen. Onderwijsvakbonden en bevoegd gezag kunnen differentiaties naar afzonderlijke scholen fysiek niet behappen en blijven steken in landelijke, algemene, en dus ook slechte regelingen. Ook hier zorgt eigenbelang ervoor dat verbeteringen worden tegengehouden.

Het is genant te zien dat schoolbesturen, onderwijsmanagement en onderwijsvakbonden kans zien om de autonomie van het onderwijs te gebruiken om hun eigen belangen veilig te stellen. Onderwijsuitvoerenden wordt niets gevraagd en zij worden nergens bij betrokken. Medezeggenschapsraden bijvoorbeeld worden buiten spel gezet. Op deze wijze krijgt de autonome school inderdaad een groot probleem toegeschoven: uitgemergelde en afgeschreven onderwijsuitvoerders.