Olieministers moeten dit weekeinde beslissen over verdeling van "de pijn'; Opec werkt aan verlaging van produktie

ROTTERDAM, 12 FEBR. Opec, de organisatie van olie exporterende landen, zit al sinds de Golfcrisis in grote zorgen over een almaar te laag blijvende olieprijs. Het komende weekeinde wil het illustere gezelschap van 12 olieministers uit het Midden-Oosten, Afrika, Azië en Zuid-Amerika daar iets aan gaan doen. Dat er een besluit tot spoedige beperking van de olieproduktie komt staat al vast. De vraag is alleen nog hoe ver de oliekranen worden dichtgedaaid en welke landen daarbij de meeste pijn moeten lijden.

Zelden is een Opec-vergadering zo goed voorbereid als deze keer en zelden was het klimaat zo rijp voor gezamenlijke actie als nu. Niet alleen is de olieprijs door een aanhoudende overproduktie door een aantal Opec-lidstaten en een zwakke vraag als gevolg van de milde winter sinds eind vorig jaar met bijna 20 procent gedaald. Ook realiseren de olieministers zich nu dat hun besluitvorming tijdens de laatste vergadering, in november vorig jaar, op een complete mislukking is uitgelopen. Toen was het aanbod van ruwe olie al te hoog en werd besloten de Opec-produktie van ruim 25 miljoen vaten per dag met enkele honderdduizenden vaten te verminderen. Maar ondanks die afspraak bleek de produktie in december en januari de 25 miljoen vaten te overtreffen. De ministers moeten nu laten zien dat hun kartel nog iets voorstelt, want in het voorjaar daalt de vraag naar brandstoffen fors, vooral omdat er dan veel minder huisbrandolie wordt verbruikt.

Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs dat de aanbod- en vraagcijfers voortdurend nauwlettend volgt, duikelde de vraag naar ruwe olie in de OECD-landen - de grootste afnemers van Opec - in het tweede kwartaal van vorig jaar met ruim twee miljoen vaten per dag. Projecties van het IEA wijzen nu op een vraag naar Opec-olie van 23,7 miljoen vaten per dag in het tweede kwartaal, zodat een produktievermindering met ongeveer 1,5 miljoen vaten per dag nodig is om het evenwicht te herstellen.

De partijen op termijn- en spotmarkten wachten op zo'n signaal van Opec, anders is prijsherstel niet te verwachten en blijven de inkomsten van de meeste olielanden te laag. Bij de huidige prijs van zo'n 18,30 dollar per vat van de toonaangevende oliesoort "Brent' (Noordzee-olie) wordt er vooral door de kleine Opec-landen weinig verdiend, in elk geval niet voldoende om de zeer hoge investeringen die nodig zijn voor het instandhouden en uitbreiden van de produktiecapaciteit te dekken. De gemiddelde prijs van zeven oliesoorten uit de Opec-landen ligt nog lager en bedroeg eind vorige maand 17,65 dollar per vat.

Voor de Westerse industrie en de transportondernemingen is zo 'n lage prijs gunstig, maar ook de meeste Westerse oliemaatschappijen kunnen er niet mee uit de voeten. Oliewinning in velden waar de kosten hoog zijn, zoals op de Noordzee en in het Drentse Schoonebeek, levert nauwelijks nog winst op. Ook raffinaderijen moeten met zeer smalle winstmarges of zelf verlies werken en dat is duidelijk te zien aan de krimpende resultaten van de olieconcerns.

Herstel van de olieprijs is voor de Westelijke wereld bovendien van belang op op termijn de olievoorziening veilig te stellen. Het Opec-aandeel, nu bijna 40 procent, groeit en zal nog verder teonemen, omdat de winning in de rest van de wereld terugloopt. Volgens het IEA zal het Westen steeds meer afhankelijk worden van de Golfregio. Daarom is het essentieel dat de olielanden hun capaciteit op peil houden en moderniseren. Op het ogenblik wordt al meer dan 95 procent van de produktiecapaciteit van Opec benut.

Dr. Alirio Parra, de huidige Opec-voorzitter en tevens minister van energie en mijnbouw van Venezuela, heeft de afgelopen weken een reis langs een groot aantal hoofdsteden gemaakt om de geesten rijp te maken voor een nieuw besluit. Hij wist consensus tussen alle 12 lidstaten te bereiken over een vermindering van de Opec-olieproduktie met 1 tot 1,5 miljoen vaten per dag.

Maar de verdeling van zo'n produktievermindering levert binnen Opec altijd de meeste hoofdbrekens op. Daarover kon Parra nog geen afspraken maken. Dat probleem moet het komende weekeinde worden opgelost. Kleine olieproducenten binnen Opec onderschrijven graag de noodzaak van een krappere markt, maar ze willen zelf niet graag inleveren. Dat laten ze het liefst over aan de grote broeders als Saoedi-Arabië en Iran. Saoedi-Arabië neemt met 8 miljoen vaten per dag een derde van de hele Opec-produktie voor zijn rekening en Iran brengt dagelijks 3,5 miljoen vaten op de markt.

Maar Alirio Parra heeft met nog een dwarsligger te maken: Koeweit. Sinds het einde van de Golfoorlog heeft Opec het emiraat niet gebonden aan een quotum (maximale dagproduktie). Koeweit werd vrijgelaten om zijn beschadigde olie-installaties en andere verwoestingen zo snel mogelijk te herstellen. Nu heeft de Opec-voorzitter echter een beroep op Koeweit gedaan om in het belang van de consensus een bijdrage te leveren. Uitzonderingsposities zouden de bereikte overeenstemming weer in gevaar brengen, is zijn redenering.

Het enige buitenbeentje in Opec is Irak, dat nog steeds door het handelsembargo van de Verenigde Naties is verlamd. Scherpe kritiek van dat land is morgen bij de aanvang van de Opec-vergadering te verwachten. Want de secretaris-generaal van het kartel, dr. Subroto, zei onlangs dat terugkeer van Irak op de oliemarkt in het eerste halfjaar van 1993 “desastreus” zou zijn. Pas in de tweede helft van dit jaar zou de produktie van Irak kunnen worden ingepast, meent Subroto. Zo'n opmerking hoort het regime in Bagdad, dat streeft naar een zo spoedig mogelijke opheffing van de VN-sancties, niet graag. Het bewijst dat Irak, 32 jaar geleden een van de oprichters van Opec, door zijn buurlanden nog als vijand wordt gezien.