Myceense Grieken offerden slaven uit angst voor vijanden

Mensenoffers komen voor in de Griekse sagen, maar wellicht werden in de oudste Griekse beschaving ook werkelijk mensenoffers ten uitvoer gebracht. Op Kreta zijn skeletten opgegraven uit de Minosche Tijd, het tweede millennium voor Christus, die sporen van rituele slachting vertonen.

Volgens prof.dr.C.J. Ruijgh, hoogleraar aan het Seminarium voor Klassieke Filologie in Amsterdam, staan er ook mensenoffers in telegramstijl geregistreerd op het kleitablet Tn 316, dat in het Myceense paleis te Pylos gevonden is en uit ongeveer 1200 voor Christus dateert. Ruijgh gaf deze week een toelichting op zijn interpretatie van het kleitablet tijdens een bijeenkomst van de Afdeling Letterkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

De kleitabletten, waarover al vele geleerden zich gebogen hebben, bevatten een voorlopige paleisboekhouding in een lettergreepschrift, het zogenaamde lineair-B, dat berust op het standaard-dialect van de Myceense Grieken en in 1956 werd ontcijferd. De tabletten moeten beschreven zijn kort voor de grote paleisbrand. Door deze brand, die vermoedelijk door vijanden werd aangestoken, zijn de tabletten zo hard gebakken dat ze tot in onze tijd bewaard zijn gebleven.

Volgens Ruigh blijkt het uitzonderlijke karakter van de tekst op tablet Tn 316 onder andere uit het feit dat de vier paragrafen elk, in strijd met de gebruikelijke telegramstijl, met eenzelfde lange volzin beginnen. Daarin wordt waarschijnlijk een processie aangeduid waarin gouden vazen worden meegedragen en mensen meegevoerd als offergaven voor diverse goden en godinnen. Er staat: "Hij wordt uitgezonden in X (het heiligdom) en draagt geschenken mee en voert slachtoffers mee voor Y (de godin of god).'

Kennelijk heeft de koning van Pylos getracht met deze uitzonderlijke offergaven de bescherming van de goden af te smeken tegen de naderende vijand. De paleisbrand leert ons dat de goden hieraan geen gehoor hebben gegeven.

Niet alleen de tekst, maar ook de "lay-out' van het tablet is volgens Ruijgh zeer uitzonderlijk. De vier paragrafen beginnen elk met in zeer opvallende hoofdletters de woorden "te Pylos' waarna men in gewoon schrift de mededeling vervolgt. Kennelijk ging het hier om een uitzonderlijke gebeurtenis, waarmee de paleisschrijver niet goed raad wist: het paleis deed afstand van kostbare gouden vazen en van slaven.

De slachtoffers worden op het kleitablet aangeduid met het uit het latere Grieks verdwenen woord "porena' (in de accusativus pluralis). Het zou naast slachtoffer ook offerdier betekenen. Men komt dit woord ook in andere Myceense teksten tegen. Deze interpretatie is strijdig met de opvatting van andere onderzoekers, die menen dat de betrokkenen niet werden gedood, maar als tempeldienaren aan de goden geschonken. Slechts enkele experts in de wereld hebben de zeer broze kleitabletten zelf in handen gehad. Ze bevinden zich in het oudheidkundig museum in Athene, waar steeds een gedeelte wordt geëxposeerd.

Volgens Ruijgh is kleitablet Tn 316 ook interessant omdat men hieruit kan afleiden in hoeverre de "patriarchale' religie van de Indo-Europese voorouders van de Grieken ten tijde van de paleisbrand al was versmolten met de "matriarchale' religie van de autochtone Kretenzers. Op het tablet valt namelijk te lezen dat de vierde processie zich afspeelt in het heiligdom van de (van origine Indo-Europese) oppergod Zeus en zijn (voor-Griekse) gemalin Hera. De oorspronkelijke Indo-Europese gemalin van Zeus, de godin Dijwa, was omstreeks 1200 voor Christus al van hem gescheiden en ontving haar offers blijkens de tekst op het kleitablet in haar eigen heiligdom tijdens de derde processie samen met twee andere, minder bekende godinnen.