"Meer landbouwgrond terug naar natuur'; Nederlands WRR-rapport trekt ook aandacht in andere Europese landen

Een rapport van de WRR over de slinkende behoefte aan landbouwgrond in de EG begint aandacht te trekken in Europa. Er kan meer teruggegeven worden aan de natuur, ook in Nederland, vindt prof. R. Rabbinge, mede-opsteller van het rapport.

DEN HAAG, 11 FEBR. De tijd van ontginningen terwille van de landbouw is voorbij, althans in Nederland. Sinds enkele jaren voltrekt zich, zij het nog incidenteel en aarzelend, juist een tegengesteld proces: boerenland wordt weer in dienst gesteld van de natuur.

Een voorbeeld van die ommekeer is het Mantingerveld bij Westerbork in Drenthe. De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten wil hier vier kleine, geïsoleerde reservaten - stukjes natuur die overbleven na de heide-ontginning tussen 1930 en 1960 - aan elkaar breien, zodat een aaneengesloten natuurgebied van ruim duizend hectare ontstaat. Daarvoor worden de bewuste landbouwgronden, die nu nog een barrière vormen, aangekocht, uit produktie genomen en in hun oorspronkelijke staat van voor de ontginning hersteld.

In het dal van de Reest, op de grens van Drenthe en Overijssel, verkocht de familie Rabbinge al eerder grond aan de stichting Het Drents Landschap om er natuurreservaat van te maken. De 46-jarige dr. R. Rabbinge is een telg uit dit boerengeslacht. Hij is hoogleraar theoretische produktie ecologie aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en voorstander van het streven om de natuur waar mogelijk haar oude rechten terug te geven.

De Nederlandse regering wil dat ook, zeker in het licht van de nog altijd groeiende agrarische overschotten in Europa. Hoe het moet gebeuren en op welke schaal, staat in het Natuurbeleidsplan, dat enkele jaren geleden verscheen. Daaruit blijkt dat op den duur 150.000 hectare boerenland (een stuk van dertig bij vijftig kilometer) weer een natuurlijke bestemming moet krijgen. Daar komt nog eens ruwweg 100.000 hectare bij aan zogenoemd beheersgebied, waar de boer zich tegen vergoeding beperkingen oplegt om de wilde flora en fauna te ontzien. Met de handtekening van een veehouder uit het Brabantse Haps valt sinds vorige week 25.000 hectare landbouwgrond onder die regeling.

Rabbinge ondersteunt het officiële beleid niet alleen, hij zou het graag nog versterkt willen zien: “We moeten niet in tienduizenden, maar in honderdduizenden hectares praten. Het is in elk geval onjuist om te beweren, wat wel gebeurt, dat de regeringspolitiek tot een tekort aan landbouwgronden leidt.”

Vorig jaar bracht de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) op eigen initiatief rapport uit over de slinkende behoefte aan landbouwgrond in de EG. Het stuk onder de titel "Grond voor Keuzen' was de vrucht van ruim drie jaar studie door een projectgroep onder voorzitterschap van Rabbinge, die sindsdien veelvuldig in binnen- en buitenland optreedt om zijn rapportage toe te lichten.

De spreekbeurten blijken een gevarieerd publiek van politici, wetenschappers, agrariërs en natuurbeschermers te trekken. Dat de laatsten zijn ideeën toejuichen, ligt voor de hand, maar volgens Rabbinge valt zijn verhaal ook bij boerenorganisaties zowel in Nederland als daarbuiten doorgaans in goede aarde: “Nee, van boe-geroep zoals minister Alders in Markelo ten deel viel, is in ons geval geen sprake. We ontmoeten juist boeren die onze analyse over de gewenste herindeling van het landelijk gebied bevestigen.”

Aanleidingen voor de studie waren destijds (onder het tweede kabinet-Lubbers) de structureel toenemende produktiviteit in de landbouw met als gevolg steeds grotere overschotten, het vooruitzicht dat de technische mogelijkheden voor verdere groei nog allerminst zijn uitgeput, de budgettaire lasten die het heersende beleid voor de Gemeenschap meebrengt en de toenemende maatschappelijke druk om meer aandacht te schenken aan milieu, natuur en landschap.

Er kwamen vier scenario's uit, die Rabbinge betitelt als “richtpunten voor een nieuw Europees landbouwbeleid, waaruit de Europese politiek een keus zal moeten maken”. Kenmerk van alle scenario's is een aanmerkelijke inkrimping, tot meer dan de helft, van het landbouwareaal in de EG. Ook een daling van de werkgelegenheid in die sector zal onvermijdelijk zijn.

“Daarmee”, aldus Rabbinge, “wijken onze scenario's stuk voor stuk af van het huidige Europese beleid, dat berust op instandhouding van het complete landbouwareaal van 128 miljoen hectare. Dat beleid is niet alleen duur en inefficiënt, maar ook slecht voor het milieu en zonder perspectief voor natuur en landschap. Dus zeggen we: ga niet door op de oude voet, want dat leidt tot nog grotere overschotten. Nu kennen we in Europa alleen de set-aside-regeling, waarbij gronden tijdelijk braak liggen, maar behouden moeten blijven voor de akkerbouw. Dat is natuurlijk geen oplossing. Wij van de Wetenschappelijke Raad zien een drastische sanering als onontkoombaar.”

Het rapport van de WRR was in eerste instantie voor de Nederlandse regering bedoeld, maar via haar voor alle Europese beleidsmakers in de agrarische sfeer. Volgens Rabbinge begint de discussie nu ook bij de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EG in Brussel, op gang te komen. Hij zelf heeft kort geleden nog een toelichting op het stuk gegeven voor het Europese Parlement en daar naar eigen zeggen veel instemming ontmoet.

Een idee dat menig politicus schijnt aan te spreken, is dat van een "ecologische hoofdstructuur' of kortweg EHS. Hieronder verstaat men een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden en half-natuurlijke terreinen dat zich over Europa zou moeten uitstrekken om de schrikbarende achteruitgang van het Europese landschap een halt toe te roepen. Volgens Rabbinge is de opzet voor zo'n continentaal netwerk ontleend aan de ecologische hoofdstructuur zoals die voor Nederland is ontworpen als hoofdbestanddeel van het Natuurbeleidsplan. Daar kan ook Rabbinge goed mee uit de voeten, al ziet hij liever nog meer boerenland in handen van de natuurbescherming: “De steeds verder geïndustrialiseerde Nederlandse landbouw kan zich immers concentreren op een kleiner gebied.”