LITOUWSE CINEAST SARUNAS BARTAS SCHETST TROOSTELOOS KALININGRAD; Blauwbleke gezichten onder vette haren

Trys dienos (Drie dagen). Regie: Sarunas Bartas. Met: Katerina Golubeva, Rima Latipova, Arunas Sakalauskas, Audrius Stonys. Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt.

'Drie dagen' heet de speelfilm (zijn eerste) van de Litouwse cineast Sarunas Bartas. Een exacte titel, die precies belooft wat de film aanbiedt. Hij begint op de ochtend van de eerste dag, op het verkleumde Litouwse platteland en hij eindigt drie dagen later bij dezelfde boerenhoeve van koud, gebarsten hout. De twee tussenliggende nachten werden doorgebracht in Kaliningrad, waar Trys dienos, afgezien van begin en slot, is gesitueerd.

Het voormalige Königsberg was ooit een trotse Hanzestad met een intiem oud centrum. In 1944 werd het door de Engelsen gebombardeerd, daarna door de Russen ingenomen en verwoest. De Duitse bevolking werd gedeporteerd en er arriveerden Russische kolonisten, berooide emigranten, wier dorpen in Wit-Rusland en de Oekrane waren platgebrand door het Duitse leger. Kaliningrad, een door kaalslag gekenmerkte plaats, ontleent tot op heden zijn belang aan de enige ijsvrije, militair belangrijke haven die Rusland nog rijk is. Een rare Russische enclave is het inmiddels, ingeklemd tussen Polen en het onafhankelijke Litouwen, radeloos als een verlaten hond en met een "eigen' bevolking die nog maar twee generaties oud is. Bartas laat die historische achtergrond voor wat hij is. Wie Trys dienos gaat zien heeft 'm ook niet echt nodig, al verheldert het wel de staat waarin Bartas Kaliningrad en haar inwoners aantreft.

Twee Litouwse jongens - we zagen ze bij en in de boerderij - reizen erheen en ontmoeten twee dakloze Russische meisje op een winderig betonnen plein aan de haven. “Waarom zeg je niets?' vraagt het ene meisje. Ze krijgt geen antwoord. Gepraat wordt er nauwelijks. De meisjes spreken geen Litouws, de jongens alleen gebrekkig Russisch. Bovendien valt er weinig te zeggen.

Sarunas Bartas volgt het viertal, maar hun verhaal vertelt hij gebrekkig of helemaal niet. Een van de jongens zien we niet meer terug nadat Bartas hem beroofd en in elkaar geslagen achterliet in een steeg. Kort daarna verliezen we een van de meisjes uit het oog, nadat ze heeft aangekondigd weer aan te zullen kloppen bij de afgeleefde dronkelap die haar de vorige nacht zonder kleren zijn kamer uit had gesmeten. Het tweetal dat onder ons bereik blijft krijgt evenmin reliëf. Zij vragen zich niet af wat ze met elkaar moeten en dat kunnen wij dus ook nalaten. Ze lopen en slapen met zijn tweeën, maar samen zijn ze nauwelijks. Ze ploeteren rond in een rampzalige wereld waar niets een reden heeft, waar niets er toe doet. Praten staat vaak gelijk aan schelden, eten aan mummelen, drinken aan dronken worden. Het beste is zo min mogelijk te leven. Nu en dan geeft Bartas een onbeschaamde, weergaloze close-up van een van hen weg, het vale gezicht gevat in het donker, de huid steeds meer een blauwbleke vlek onder vette haren. De camera staart naar het gezicht, naar vermoeide ogen aan wie allang geen plezier meer vergund is geweest. Soms kijkt Bartas mee met de ogen. Zo werpt hij samen met de overgebleven jongen een blik uit het w.c.-raam van het doorgangshuis waar die een kamer heeft gekraakt. Ze zien achter geel-verlichte vensters aan de overkant twee naakte vrouwen met een ongenteresseerde pooier, ruziënde alcoholisten en een eenzame man met een bergje watermeloenen, die de handen voor het gezicht slaat. De jongen wendt zijn blik maar weer af. Hij ziet, wij zien, en samen huiveren we, maar wat scheelt dat?

Even belangrijk als het beeld is voor Bartas het geluid van de stad. Stilte bestaat niet, constant klinkt het geroezemoes van meestal boze stemmen. Steeds valt er iets, jankt er iets, piept, kraakt, raast er iets. En wanneer de nacht valt wordt dat alles overheerst door de zware dreun van smakeloze popmuziek, waarop we even een ongeregeld gezelschap hartverscheurend uitgelaten zagen dansen.

Niets raakt Kaliningrad meer, je kunt het alleen nog bewenen, lijkt Trys dienos te zeggen. Op eenzelfde manier als hij zijn personages bekijkt, concentreert Bartas zich op de stad en de mensen die daar rondschuimen. In soms langdurige, verbluffend mooie shots brengt hij Kaliningrad in beeld. Het lijkt de kelder van de wereld. Vochtig, afgebladderd, met schimmel op de gebarsten muren en diepe vouwen in afgeleefde gezichten die, te oordelen naar het gebruik van telelenzen, documentair werden vastgelegd. Bartas registreert kommervol maar doet dat met behoud van schoonheid. De muren van de in de Tweede Wereldoorlog stukgeschoten kerk dragen geen dak meer en omsluiten gras en puin. De oude man in een nis, de koeltorens van een fabriek waar een steeds grotere wolk uitwasemt, het bleke zonlicht op de ruiten van een trein, de wachtende figuren op het perron, hij houdt ze vast of zijn leven ervan afhangt.

De tweede morgen breekt aan, Bartas dirigeert het overgebleven tweetal naar de haven: nevel en meeuwen, loodsen, hijskranen en vaartuigen. Ruimte voelen we en een kalm geluid van golfslag, staal en wind. Nu onttrekt ook het meisje zich aan de film en blijft de jongen over. De trein rijdt weer terug. Thuis kwispelt een hondje, glibbert een oude man door de modder en brandt een jong meisje kaarsjes rond een slordig bouwsel. Waarom verliet de jonge man zijn land en zijn keuterij? Bartas verbiedt die vraag. Hij toont tot slot opnieuw een panorama rond het houten huis in het schriele landschap. We zien binnen een minuut winter, lente en herfst over land en huis vliegen: sneeuw, ijs, water, mist, groen en bruin. Er beweegt niets. Nog geen eend.