Kasten in de klas

Woedende Indiase studenten verbrandden in het najaar van 1990 op straat hun universitaire diploma's. Anderen gingen een paar stappen verder en staken zichzelf in brand, met ernstige verwondingen en soms de dood als gevolg. De zelfverbranders werden door familie en vrienden vereerd als nationale helden. Met hun acties protesteerden de studenten, afkomstig uit de midden- en hogere kasten, tegen de plannen van de toenmalige premier V.P. Singh om, conform de aanbevelingen van de zogenoemde Mandal-commissie, 27 procent van de banen in overheidsdienst en van de plaatsen aan de universiteit toe te wijzen aan mensen uit de lagere kasten, die 52 procent van de Indiase bevolking vormen. Bij de protesten kwamen 71 mensen om het leven. De regering-Singh kwam ten val.

Vorig jaar bevestigde het Indiase Hooggerechtshof de bepalingen van de Mandal-commissie, hetgeen opnieuw leidde tot onrust aan de universiteiten. De afgelopen maanden werden universiteits- en andere overheidsgebouwen door studenten bestormd, auto- en spoorwegen geblokkeerd en voertuigen in brand gestoken. De meeste onrust had plaats in de provincies Uttar Pradesh, Rajastan en Orisa en in de hoofdstad New Delhi. Op de universiteit van Delhi moest de politie traangas gebruiken om de orde te herstellen.

Het typisch Indiase kastenstelsel is officieel afgeschaft in 1947, maar vormt in de praktijk nog altijd een grote belemmering voor het totstandbrengen van een goed onderwijssysteem. In de steden zijn de scherpste kanten van het stelsel inmiddels wel afgesleten, maar op het platteland worden mensen nog steeds vooral beoordeeld op hun kaste-achtergrond. De hogere kasten eisen hun privileges op; hùn kinderen volgen het beste onderwijs. Een onderwijsproject van de centrale overheid, het Navodaya Vidyalaya Plan, lijdt onder de strijd tussen de kasten. Sinds het begin van het plan, in 1985, zijn 280 nieuwe kostscholen opgezet, waar 79.000 leerlingen onderwijs op hoog niveau volgen. New Delhi geeft aan deze leerlingen 320 dollar per jaar uit, bijna evenveel als het inkomen per hoofd van de bevolking (350 dollar). Volgens critici van het plan profiteert vooral de plattelandselite ervan. De communistische regering van de deelstaat West-Bengalen heeft zelfs geweigerd de kostscholen toe te laten.

Ook andere onderwijshervormingen verlopen moeizaam. Les geven in India gebeurt nog vaak onder een boom, met één bord en wat krijtjes, aan "klassen' van honderd kinderen. Van de 530.000 basischolen in het land beschikt 13 procent niet over een dak en waar dat wel het geval is ontbreken andere zaken als meubilair en leermiddelen. Zeven jaar geleden werd door de Indiase regering Operation Blackboard (Operatie Schoolbord) gelanceerd, een plan dat de lagere scholen moet voorzien van ten minste het allernoodzakelijkste: twee klaslokalen, twee onderwijzers, leermiddelen en spelletjes. Elke school kon rekenen op 290 dollar per jaar om middelen aan te schaffen. Tot vorig jaar werd 250 miljoen dollar in de operatie geïnvesteerd.

Het plan zou vier jaar duren, maar is sinds 1990 telkens verlengd, want het succes bleef ver achter bij de verwachtingen. De Indiase overheid had er op gerekend dat de operatie het voorlopige hoofddoel van de onderwijsplanning: ten minste vijf jaar onderwijs voor alle kinderen, dichterbij zou brengen. Dat bleek niet het geval. UNICEF, het kinderfonds van de Verenigde Naties, constateerde in 1990 in een rapport dat er in feite niets is veranderd, nog steeds blijft een groot aantal kinderen weg van school en dient in plaats daarvan als arbeiders.

De Indiase grondwet uit 1950 kent geen leerplicht. In de wet staat dat de overheid ernaar streeft ""binnen tien jaar gratis en verplicht onderwijs aan te bieden aan alle kinderen, tot ze veertien jaar zijn''. Dit streven is bij lange na niet gehaald. Slechts 43 procent van de schoolgaande bevolking (tussen vier en 23 jaar) volgt daadwerkelijk onderwijs. Het uitvalspercentage aan de basisscholen is 39 procent, een van de hoogste ter wereld. Het enige waar de overheid op kan bogen is een redelijke terugdringing van het analfabetisme in twintig jaar tijd. In 1971 kon zeventig procent van de Indiërs lezen noch schrijven; Indira Gandhi's campagne Garibi hatao (Roei de armoede uit) leidde er toe dat dit tien jaar later was gedaald tot 56 procent en bij de laatste volkstelling, in 1991, bleek het percentage te zijn gezakt tot 47 procent. Niettemin blijft het analfabetisme onder India's 850 miljoen inwoners één van de hoogste in Azië (vergelijk China: 16 procent, Indonesië: 23 procent). De regionale verschillen zijn groot. In de zuidelijke deelstaat Kerala is het analfabetisme teruggedrongen tot minder dan 10 procent, in Bihar, Oost-India, is nog altijd 61 procent van de bevolking analfabeet.

De praktische organisatie van het onderwijs is de verantwoordelijkheid van de regeringen in de 25 deelstaten. Een groot obstakel daarbij is, behalve het kastenstelsel, het grote verspreidingsgebied van de bevolking. Driekwart van de Indiërs woont in een van de 600.000 dorpen. Een dorp bestaat vaak uit niet meer dan een groep van enige tientallen hutjes, met 50 tot 100 inwoners. In de helft van de dorpen wonen minder dan 500 mensen, waardoor ze te klein zijn om een aparte school te hebben, terwijl de slechte wegen schoolvervoer naar grotere plaatsen belemmeren. En wanneer deze barrières niet bestaan, zoals in steden en grotere dorpen, komen er andere voor in de plaats, met name de aloude kastentegenstellingen en de armoede.

Een precies cijfer over het aantal Indiase kinderen dat werkt is niet bekend, de schattingen lopen uiteen van 17 miljoen tot 55 miljoen kinderen die meer dan 8 uur per dag werken. Hoewel de wettelijke minimumleeftijd waarop mag worden gewerkt is vastgelegd op veertien, werken vooral in de tapijtindustrie miljoenen kinderen die jonger zijn. De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) kwam vorige maand met een programma (kosten 2,25 miljoen dollar) dat is gericht op het terugdringen van de kinderarbeid. De ILO zou sancties willen instellen tegen tapijtfabrikanten die bij hun produktie nog langer gebruik maken van kinderen. De Indiase regering heeft gezegd mee te zullen werken aan het plan van de ILO, maar het is de vraag of er iets van terecht zal komen. De industrie maakt dankbaar gebruik van het feit voor menig Indiaas gezin de paar rupees die de kinderen per week mee naar huis nemen noodzakelijk zijn om te overleven. Een verbod op kinderarbeid zal de inkomens van gezinnen verminderen en bepaalde industriëlen in moeilijkheden brengen.