"Honderd inzendingen. En ik de hoofdprijs'

“Vijfennegentig procent van mensen met rechterhelft verlamd ook persoonsverandering. Maar ik dus niet. Ik dus honderd procent dezelfde gebleven: Geestelijk honderd procent in orde. Ik!” Hans van den Doel (55) ziet er jong uit voor zijn jaren; het is net of zijn gezicht vergeten is zich te rimpelen. Tenger zit hij op de bank, zijn gespalkte been voor zich uit gestoken, zijn kruk binnen bereik van zijn goede hand. Hij was vierenveertig jaar en hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam toen hij, tijdens het bespelen van het orgel in de gereformeerde kerk in Bloemendaal werd getroffen door een herseninfarct: “Draaierig, verschrikkelijk duizelig maar doorspelen, doorspelen! Laatste stuk: beroerd, beroerd! Beneden flauw.” Ten behoeve van de leesbaarheid is het soms noodzakelijk zijn woorden in het gelid te zetten en zijn werkwoorden te vervoegen maar vis-à-vis biedt hij weinig ruimte voor misverstanden. Zijn stem schiet uit bij wijze van uitroepteken, zijn linkerhand gebaart voor twee en hij blijft zwoegen tot hij zijn op bevelende toon uitgesproken “Begrepen?” bevestigd krijgt en dan gaat hij verder met: “Juist! Dus eh...”

Twee maanden lag hij in coma; hij kwam bij in het revalidatiecentrum Heliomare. “Twee maanden! Bijna dood. Dus een wonder. Boven wonder!” De rechterhelft van zijn lichaam bleek verlamd. “Dus gesprek niet, koffie niet, thee niet. Yoghurt met een slangetje. Helemaal niets, maar leven! Na twee maanden eindelijk weer leven. Dus objectief prima, hè?” Er volgde een gevecht dat hem deed terugdenken aan zijn kindertijd, een gevecht om zich vrij te kunnen bewegen, hoewel hij halfzijdig verlamd is. “Dus arm, been en hoofd hè? En mondje dicht; na een jaar maar twee woorden. Twee woorden, maar met kracht! En leren lopen juist niet. Lopen heel angstig. Want dat is ook belangrijk...” en dan volgt het verhaal over zijn vader die directeur was van de Scheldebank in Zierikzee, - “dus 's ochtends, 's middags en 's avonds werken!” - en een moeder die na “elke keer dood kindje, dood kindje” eindelijk een gezonde jongenstweeling kreeg, “dus verschrikkelijk zorgzaam.” Hij leerde pas lopen toen hij drie was en moest met zijn broer Huib in de tuin blijven, - “een kleine tuin!” - ze mochten bijvoorbeeld niet voetballen. Toen hij zeven was brak hij uit. “Dus vechten vroeger precies hetzelfde vechten als nu. Precies hetzelfde punt: lopen!”

In Heliomare had hij eerst een therapeut die hem dwingen wilde en “verschrikkelijk zwaaide met arm en been en andere arm en hij schreeuwde: Lopen!” Dat hielp niet: Hans van den Doel bleef in zijn rolstoel. Na twee jaar verhuisde hij naar een flat in Haarlem; hij was inmiddels gescheiden en hertrouwd met Keesjaa, de vriendin van vòòr zijn hersenbloeding. Hij kon toen twintig woorden spreken en bleef naar Heliomare komen voor dagtherapie. Nu trof hij een therapeut die hem rustig liet begaan en al gauw begon hij te lopen. “Eerst aan de arm, toen de vierpoot, toen met de stok. Prima!”

De lift naar zijn flat was steeds stuk en het echtpaar verhuisde naar Rijs, in Gaasterland; hij kende die streek van toen hij zijn zeilboot in Staveren had liggen. Zijn toestand was hem inmiddels duidelijk geworden. “Nooit meer beter! Dus Amsterdam, professorschap vergeten.” Het eerste jaar na zijn infarct had hij zich "positief' opgesteld omdat hij nog leefde. “Na twee maanden coma, maar één procent blijft leven! Dus vechten, enzovoort.” Daarna kreeg hij een depressie. “Eindelijk snapte ik het. Ik zou nooit meer beter worden. Nooit meer boekjes schrijven.” De depressie duurde een maand, toen dacht hij: “Ja jammer. Maar toch maar weer vechten, hè?” Een paar jaar achter elkaar kwamen die depressies terug, altijd in de maand augustus, de maand dat het gebeurd was. Maar ze werden steeds lichter, “en tegenwoordig dus niet meer.”

Toen Hans van den Doel negenentwintig was, kwam hij als jongste in de Tweede Kamer, waar hij acht jaar lang de Partij van de Arbeid vertegenwoordigde. Hij was een van de Tien over rood en heeft veel publikaties op zijn naam staan. En dat is wat hij in feite het meeste mist: “Boekjes schrijven! Over je eigen interesse, hè? Eigen inzichten!” Het bewijs van de kwaliteit van die inzichten ziet hij onder andere in het feit dat van zijn Democratie en welvaartstheorie (Samsom en Tjeenk Willink) onlangs de derde druk is verschenen en dat die door bewerker dr. B.C.J. van Veldhoven nauwelijks hoefde te worden herzien. “Bijna hetzelfde als vroeger; alleen nieuwe ontwikkelingen ietsje verbeterd.” Ook de Engelse vertaling zal worden herdrukt en hij vermeldt met trots dat zijn werk tot in het Japans te lezen is. Tot voor een paar jaar heeft hij nog samen met Keesjaa een column gehad in Het Parool. Zij schreef op wat ze dacht dat hij gezegd had en dat verbeterde hij dan weer: “Zwoegen, zwoegen, zwoegen.”

Die column is gestopt maar het zwoegen gaat door, de hele dag, volgens een vast stramien. “Even ordelijk, hè?” Hij gaat vroeg naar bed. “Veel slapen is belangrijk. Rechterhelft verlamd: veel meer slapen.” Om half zeven staat hij op, hij maakt zelf zijn bed op, “maar met één hand, dus veel langzamer” zet en drinkt koffie, maakt zijn brood klaar, “helemaal zelfstandig” en daar is hij anderhalf uur mee bezig. Hij kleedt zich zelf aan, “spalk en al!” en dan laat hij in zijn rolstoel drie kwartier lang de hond uit. Hij fietst graag en veel, “vijf dagen per week!” soms wel twintig kilometer per dag, op een driewieler. “Heel zwaar! Want maar één been.” En een paar jaar geleden heeft hij opnieuw zijn rijbewijs gehaald “Vroeger: achttien jaar ook al. Toen stoppen: alles met trein en met bus. Nu dus weer auto.” Want treinen rijden er niet veel in Friesland en van de bus is de instap te hoog voor hem. 's Middags moet hij even slapen en daarna heeft hij zijn liefhebberijen. Na het avondeten is er de televisie; om te beginnen de late programma's die Keesjaa de avond tevoren voor hem heeft opgenomen. “CNN: verschrikkelijk belangrijk! Duitsland, Engeland...” Deze talen verstaat hij nog wel; het Fries dat hij laat in zijn leven geleerd heeft niet meer. Hij kan ook niet meer lezen. “Twee zinnen: prima! Ook kleine letters! Maar derde zin verschrikkelijk duizelig. En vierde zin: oooh!” Hij grijpt zich lachend naar het hoofd. De krantekoppen leest hij wel en zo nu en dan laat hij zich iets voorlezen. Hij luistert naar muziek, iets waar hij voorheen geen tijd voor had. “Vroeger orgel spelen hè? Zaterdag repeteren, zondag in de kerk. Maar ja, voet en arm en hoofd zeggen: "Stoppen!' Dus nu maar CD's en bandjes: fantastisch! Orgel: Buxtehude, Bach. Modern ook. Maar jazz niet hè? Denk er om!” Dat komt er zo fel uit dat hij er zelf om lachen moet; het is een heel vrolijke vorm van tirannie die hij uitstraalt.

“Vergeet je schilderijen niet!” zegt Keesjaa die - “Mondje dicht!” - hem niet te hulp mag schieten als hij naar woorden zoekt. Hij is in Heliomare gaan schilderen, “Arbeidstherapie”. Hij had altijd al van schilderijen gehouden, maakte ook wel “snelle schetsjes in mijn hoofd. Maar ja, hoogleraar hè? En veel andere dingen doen!” Aanvankelijk ging het wat moeilijk omdat hij de horizon scheef zag. “Dus zo! Of zo!” Hij maakt hakkende bewegingen. Na een paar jaar werken naar voorbeelden uit een boekje slaagde hij erin de horizon recht te krijgen. “Toen eindelijk vrij schilderen.” De schilderijen hangen om hem heen en donker van tint vertellen ze over het leven van Hans van den Doel. “Vroeger één jaar één schilderijtje, toen één jaar twee, toen drie, toen vier. Nu wel twaalf per jaar.” Als er weer een klaar is bedenkt hij er een tekst bij die Keesjaa voor hem neerschrijft en haar letters schildert hij dan in een hoekje na. Er zijn er bij van hemzelf in hoogleraarstenu, van Keesjaa in bloemetjesjurk, van de tuin met de vogels, en er is een van het “zwembadkraken, in het Harde, op zondag”, waarmee Van den Doel in 1970 uitgebreid in het nieuws kwam. “Publiciteit! De krant, de televisie, toen al!” Er is er een waar hij aan een bar zit, samen met een herkenbaar, gebrild manspersoon en op de achtergrond een Chagallachtig zwevende violist. “Tijdens Tweede-Kamerperiode 1966-1973 lid PvdA in Haags café onder genot van glas wijn in discussie met Hans Wiegel VVD over Bouwzaken”, staat er in de rechterbovenhoek. Hij heeft er een prijs voor gekregen. “De hoofdprijs, honderd inzendingen en ik de hoofdprijs. Schilderijenwedstrijd van Zuidwest-Friesland!” zegt Hans van den Doel. En hoewel hij zich als schilder "amateur' noemt en dat duidelijk minder acht dan zijn "hoogleraar: beroeps' doet het hem zichtbaar goed dat hij nu toch weer de beste was.