Duiker

In een brief over de Open-Luchtschool (NRC Handelsblad, 6 februari) bestrijdt architect Arthur Staal "de onuitroeibare fabel' als zou de Amsterdamse Schoonheidscommissie bouwwerken in de "Nieuw-Zakelijke' stijl uit Berlages uitbreiding in Nieuw-Zuid hebben willen weren.

Dat de kennis van redacteur Tracy Metz op feiten berust, blijkt uit de notulen van de Schoonheidscommissie (Gemeentearchief, Amsterdam). Op een bijeenkomst van de commissie op 16 mei 1928 vraagt architect J.F. Staal, de vader van de briefschrijver, of niet "ergens anders' een plaats voor de school te vinden is. “Daar de school geheel buiten het genre van de overige bebouwing valt (-) is er wel naar gestreefd het zooveel mogelijk te isoleren, maar dit is niet geheel mogelijk.”

Op 23 mei zegt de voorzitter van de commissie “er niets voor te voelen, dat een dergelijke betonbouw in dit stadsdeel wordt opgericht”. Op 4 december 1929 zegt hij dat “wanneer een dergelijke bouw in dit stadsdeel eenmaal toegelaten wordt, volgende plannen niet tegengehouden kunnen worden”.

Bovendien is het poortgebouw voor de school niet zonder probleem goedgekeurd, zoals Staal meldt. Enkele leden van de commissie vonden dat met het bouwen van de school voldoende aan de wensen van Duiker tegemoet was gekomen; om hem ook nog een moderne entree te laten bouwen, vonden ze te veel van het goede. Dat Duiker volgens dezelfde notulen "wel iets voelt' voor de inpandige locatie waar de Open-Luchtschool uiteindelijk ook gebouwd is, midden in een woonblok met een heel andere vormgeving, is niet zo verbazingwekkend: anders was het gebouw er helemaal niet gekomen.