De ware liberaal staat boven de partijen; Wie zich tegen liberale standpunten verzette, verzette zich tegen de onpartijdige waarheid

Een ware liberaal bekent zich niet tot een partij, ook niet tot een liberale partij. Zijn keuze voor het liberalisme is dan ook fundamenteel geen keuze voor een politieke richting maar “voor onpartijdigheid of bovenpartijdigheid, voor het algemeen belang, ja, voor de waarheid.” Een uitdagende plaatsbepaling van het liberalisme ter gelegenheid van de publikatie van de opstellenbundel "Van Thorbecke tot Telders. Hoofdpersonen uit de geschiedenis van het Nederlandse liberalisme vóór 1940' (uitg. Van Gorcum, Assen).

Iemand wordt geen liberaal omdat hij bepaalde punten in het liberale programma aantrekkelijk vindt. Hij is liberaal omdat hij zich een vertegenwoordiger van de moderniteit voelt. Zijn optie voor het liberalisme is dan ook fundamenteel geen keuze voor een partij maar juist een keuze voor onpartijdigheid of bovenpartijdigheid, voor het algemene belang, ja, voor de waarheid. Terwijl confessionelen en socialisten een beroep doen op hun bijzondere inzichten van religieuze of wetenschappelijke aard, verwijzen liberalen naar de objectieve algemeenheid van de hele moderne cultuur, kritisch, wereldlijk, flexibel en dynamisch. Indien iets de continuïteit van het liberalisme al zoveel generaties heeft gewaarborgd, dan is het deze onprogrammatische zin voor de werkelijkheid van de eigen tijd. Als partij bleef het liberalisme in stand juist omdat het bovenpartijdig beweerde te zijn.

Maar waar haalde het liberalisme deze merkwaardige zelfverzekerdheid vandaan? Want het is bepaald geen geringe ambitie waardoor het werd gekenmerkt. In feite verhief het zich boven het politieke strijdtoneel. Wie zich tegen liberale standpunten verzette, verzette zich tegen de onpartijdige waarheid, de tijdgeest, de objectief vaststelbare gang van de geschiedenis. Hoe konden de liberalen er op grond van zulke vooronderstellingen in de negentiende eeuw in slagen zoveel tot stand te brengen dat zij reden hadden zich als de vormgevers van de Nederlandse staat te beschouwen? In Frankrijk, in Duitsland, zelfs in Engeland vierde het liberalisme geen vergelijkbare triomfen. Ook in België niet.

In de jaren 1890 gebruikten de Nederlandse liberalen hun laatste periode van suprematie om een begin te maken met de invoering van sociale hervormingen. In België regeerden toen homogeen katholieke kabinetten, van 1884 tot 1917, meer dan dertig jaar lang. In 1917 viel de Nederlandse liberalen, die de kieswetten van 1850 en 1896 op hun naam hadden staan, de taak toe eindelijk het algemene kiesrecht te introduceren; het instrumentarium waarmee de twintigste-eeuwse politici werkten was zodoende voor een belangrijk deel in liberale werkplaatsen geproduceerd.

Dit is een hoogst opmerkelijk feit. Het Nederlandse liberalisme was in het begin van de negentiende eeuw bepaald geen veelbelovend verschijnsel. Er waren zonder twijfel wel als liberaal te kenschetsen publicisten en politici in het noordelijk deel van Willem I's koninkrijk aanwezig en zij hielpen de Belgische oppositie tegen de autocratie van de Oranjevorst, eisten een vrijere pers, een beter kiesstelsel en andere vormen van ministeriële verantwoordelijkheid dan de grondwet van 1815 voorschreef. Maar een gesloten front vormden deze individuen niet zodat hun activiteit, hoe levendig misschien ook, te weinig samenhang bezat om concrete resultaten te hebben.

Hoe ver wij op het ogenblik ook van de traditionele heldenverering van Thorbecke verwijderd zijn, toch was hij het zonder twijfel die in de jaren 1840 een groep mensen om zich heen verzamelde, geschikt om wat er aan publieke opinie bestond zorgvuldig in pers en parlement te bewerken en in staat op het juiste moment het beleid op zich te nemen. En wat men ook mag denken van de mening dat de patriotten uit de jaren 1780 en 1790 het negentiende-eeuwse liberalisme in Nederland hadden geprepareerd, hoe goed het ook is zekere personen uit de vroege negentiende eeuw naar voren te halen als de voorbereiders en padvinders - Gijsbert Karel in zijn ouderdom, Donker Curtius in zijn jeugd - het blijft een feit dat pas Thorbecke zich met de opbouw en de leiding van een welomschreven en aan de omstandigheden aangepaste hervormingsbeweging belastte, als exponent van de tijdgeest, als vormgever van wat de tijd vereiste.

Dat was laat in de geschiedenis van het Europese liberalisme en Thorbeckes aanvaarding van liberale ideeën was het resultaat van energieke, tijdrovende studie. Thorbecke was geen idealist. Hij acteerde niet als charismatisch leider. Hij bezat een respectabel gevoel van intellectuele en morele superioriteit en grote ambitie. Gedurende de jaren 1840 gaf de politieke en geestelijke toestand van Nederland hem de gelegenheid deze trekken in zijn natuur tot een bijna zakelijk te noemen inzicht in zijn roeping te transformeren. In het vierde deel van de briefwisseling die dit jaar zal uitkomen vindt men hier uiterst merkwaardige gegevens over.

Pas laat dus en vooral ook dank zij de paniek van Koning Willem II tegenover de revoluties in Duitsland kon in Nederland het liberale stelsel worden ingevoerd. Het duurde bovendien jaren voor het naar behoren functioneerde. Vanwaar dan het onmiskenbare succes ervan? Vanwaar de zelfverzekerheid waarmee het beweerde de ware vertegenwoordiger van de tijdgeest te zijn, de enig mogelijke interpretatie van deze fase in de geschiedenis der mensheid en van Nederland in het bijzonder?

Het antwoord ligt voor de hand: noch sociaal noch politiek noch intellectueel stootte het op belangrijke tegenstand. Het koningschap had in de jaren 1830 veel van zijn glans verloren. Willem II voerde geen duidelijke politiek. Willem III bleek veel te grillig om als spil van een antiliberale conservatief-royalistische groepering te fungeren. De adel had in Holland vanouds geen beslissende politieke invloed en deed ook onder Willem I geen poging die te verwerven. Echte, zelfbewuste, zich op solide privileges, maatschappelijke positie en grondbezit hoog verheffende reactionairen waren er niet.

Conservatieven waren er natuurlijk wel. Geen enkele maatschappij kan zonder conservatisme in stand blijven, zelfs de Nederlandse niet. Maar het had geen sterk karakter en toen de liberalen de grondwet in 1848 eenmaal hadden herzien, bracht het geen alternatief naar voren; het beperkte zich tot de tactiek van vertraging in de volledige uitvoering ervan en ernstige reserve ten opzichte van de liberale leiders persoonlijk. En zelfs de zich allengs om Groen van Prinsterer heen vormende antirevolutionaire groep spande zich niet in om de aard van de Nederlandse staat fundamenteel te veranderen. Wat zou ze ook hebben kunnen verzinnen? Groen wist tenslotte dat zijn oude vriend Thorbecke weliswaar liberaal was geworden maar geen revolutionair, en moeilijk als centraal object van principiële antirevolutionaire kritiek kon dienen.

Hoe boeiend de bekende antirevolutionaire, door Groen zelf in velerlei vormen uitgewerkte these ook is, dat de liberale moderniteit onvermijdelijk een samenleving van individualistische atomen zou produceren, aan geen enkele traditionele hiërarchie en normenstelsel onderworpen en slechts door totalitaire terreur te bedwingen - zulke boetpredikaties kregen geen vat op het Thorbeckiaanse liberalisme.

Thorbeckes liberalisme was immers niet revolutionair, niet uitzonderlijk individualistisch en niet utilitaristisch. Het stond dichter bij de pre-romantiek van Herder dan bij Jeremy Benthams theorieën over de maximalisering van het geluk. Het stond veel dichter bij de door Groen bewonderde Guizot dan bij Robespierre, de door Groen steeds midden in het veld van zijn discussie opgestelde vogelverschrikker. Dit liberalisme wilde organisch zijn, hetgeen in elk geval inhield dat het nieuwe systeem geen door abstracte theorie beheerst verzinsel meende te zijn en geen exclusieve waarde aan geluksmiddelen voor de individuele burger hechtte, maar was ingebed in de historische ontwikkeling en verankerd in de samenhang van de maatschappij.

Het is opmerkelijk dat de Nederlandse liberalen de term organisch ook na Thorbecke met instemming zijn blijven gebruiken, zelfs Van Houten die de links-liberale aanval op het oude liberalisme in de jaren 1870 inzette. Het was alsof de liberalen door het organische karakter van hun politiek te beklemtonen, aangaven dat deze politiek vanzelfsprekend juist was, natuurlijk produkt van een natuurlijke ontwikkeling.

Het grote probleem waarvoor de historicus die het Nederlandse liberalisme van de negentiende en de twintigste eeuw als een geheel zou willen bestuderen komt te staan, is uiteraard dat de positie ervan na de invoering van het algemene kiesrecht radicaal veranderde. Van 1918 tot 1940 namen slechts enkele liberalen gedurende slechts vijf jaren aan de door de confessionelen beheerste kabinetten deel. Na 1945 werd aan de stroming weer plaats gegeven: van 1945 tot 1967 deelden de liberalen gedurende tien jaar regeringsverantwoordelijkheid met socialisten en confessionelen.

Hoe is het mogelijk geweest dat de liberalen die van 1901 tot 1918 onder het beperkte kiesrecht gemiddeld 35 zetels in de Tweede Kamer van 100 leden bezetten en onder het algemene kiesrecht van 1918 tot 1939 gemiddeld vijftien, die geteisterd werden door scheuringen en splitsingen. Naast de Vrijzinnig-Democratische Bond waren er tot 1921, toen ze verenigd werden in de (wat later zo genoemde) Liberale Staatspartij, niet minder dan vijf liberale groeperingen. Hoe komt het dat zij, ook na hun val van de troon, hun bestaan hebben weten te continuëren? Zij hadden de parlementaire monarchie ingericht, iets van sociale legislatie gerealiseerd, het algemene kiesrecht ingevoerd. Hun taak was, zo leek het, voltooid.

Maar zo redeneerden de liberalen niet. Zij hebben zich zonder veel inspanning aan de nieuwe machtsverhoudingen aangepast en er niet aan getwijfeld dat een liberale partij ook in de twintigste eeuw een functie had. Op de één of andere manier zou deze partij nog steeds de politieke uitdrukking vormen van de in Nederland - ondanks de groei van de confessionele invloed, van het zuilenstelsel en tot op zekere hoogte ook van het socialisme - intellectueel en economisch dominante liberale geest.

J.J. Woltjer opent zijn vorig jaar verschenen Recent verleden. De geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw met een hoofdstuk waarin hij de toestand van 1918 kenschetst en hij noemde dat "Een liberaal land'. Voor zijn beschrijving van het interbellum zelf vond hij de titel "Een liberale erfenis onder confessioneel beheer'. Dat wil zeggen, er was ook in de eerste helft van de eeuw voor de liberalen blijkbaar reden te beweren dat een verstandig, ontwikkeld mens in Nederland vanzelfsprekend een liberaal was. Eenvoudig omdat de bijdrage van socialisten en confessionelen aan alle zaken waarop het aankwam, namelijk het bedrijfsleven, de kunsten en wetenschappen, het ambtelijke apparaat, de rechterlijke macht, beperkt was en van de hervormingen die zij bepleitten, vrijwel niets realiseerbaar was gebleken.

Vandaar misschien dat de Liberale Staatspartj zich in de jaren 1930 beter in de parlementaire democratie thuisvoelde dan de SDAP en de Rooms-Katholieke Staatspartij. Al had het algemene kiesrecht de liberale suprematie gebroken en zowel confessionelen als socialisten zeer aanzienlijke winst gebracht, het waren in deze crisistijd de confessionele en socialistische partijen - en niet de liberale partij - die nadachten over, en ijverden voor, een hervorming van de staatsinstellingen. Een hervorming die in allerlei opzichten verwant was aan de ordeningsprincipes van de autoritair geregeerde landen van toen.

De liberalen waren de parlementaire democratie gedurende de jaren 1930 in theorie trouwer gebleven dan heel wat socialisten met hun Plan van de Arbeid en heel wat confessionelen met hun corporatisme. Tijdens de bezetting steeg de reputatie van de parlementaire democratie echter aanmerkelijk. In 1944 en 1945 werden door en rondom koningin Wilhelmina gevoelde verlangens naar vernieuwde gezagsverhoudingen, sterkere leiding en minder verdeeldheid - ondanks het grote persoonlijke prestige van de vorstin - nauwelijks serieus in discussie gebracht. Van de door anderen voorgestelde totale herziening van het partijsysteem kwam vrijwel niets terecht.

Aangezien deze hele hervormingsimpuls niet door de oorlogservaringen zelf werd geïnspireerd maar eerder door de ervaringen met de crisis van de jaren 1930, betekende de terugkeer tot het pure vooroorlogse stelsel in 1945 en 1946 dat de confessionelen en socialisten hun geloof in de parlementaire democratie hadden hervonden. Het is dus niet ongeoorloofd te beweren dat in de jaren 1930 gebleken terughoudendheid van de liberalen met betrekking tot een diepgaande hervorming van de staatsinstellingen verstandig was. De door de liberalen ingerichte parlementaire democratie toonde in 1945 immers opnieuw haar levenskracht.

Profiteerde het liberalisme daarvan? Waarschijnlijk niet. Profiteerde het liberalisme van de snelle economische ontwikkeling die in de jaren 1960 tot een door niemand voorspelde uitbarsting van welvaart zou leiden? Evenmin. Had het liberalisme in de jaren 1950, 1960, 1970 nog wel reden zich tot representant van de moderne levensbeschouwing uit te roepen en zijn gelijk vanzelfsprekend te vinden? Het maakte die indruk niet. Het verloor natuurlijk in de zich wijzigende maatschappij veel van het houvast dat het decennia lang had bezeten. De grote nationale kranten, de ambtenaren, de universiteiten opteerden niet langer met een zeker automatisme voor de liberale posities. Niet alleen electoraal, ook sociaal werden groepen met andere uitgangspunten belangrijke concurrenten. Van een soort van liberale hogere stand was na 1945 steeds minder te merken. Meer dan vroeger moest het liberalisme de aantrekkingskracht van partijprogramma's en leuzen gaan verzorgen.

Maar nu, heeft het nu opnieuw gelijk gekregen? Zal het, na de verzwakking van het confessionalisme sinds de jaren 1960, de deb^acle van het communisme, de desillusie van het socialisme, de erkenning door alle betrokkenen dat het verzorgingsstelsel dient te worden beknot en meer plaats voor utilitaristisch individualisme moet worden ingeruimd, de zelfverzekerdheid, de vanzelfsprekendheid, hervinden die in Nederland zo lang zijn kenmerkende eigenschap is geweest?