WAO-GAT

Het kabinet heeft besloten de WAO ingrijpend te wijzigen. De WAO- uitkeringen zullen in de toekomst zowel qua hoogte als uitkeringsduur afhankelijk zijn van de leeftijd van de werknemer. Bij arbeidsongeschiktheid bestaat volgens de voorstellen eerst gedurende maximaal zes jaar recht op een uitkering van 70 procent van het laatste loon (tot het maximum dagloon). Daarna valt de werknemer terug op een uitkering gebaseerd op 70 procent van het minimum loon, vermeerderd met een toeslag waarvan de hoogte afhankelijk is van de leeftijd van de arbeidsongeschikte werknemer. Deze nieuwe WAO-uitkeringen gaan gelden voor alle werknemers die na 25 januari 1993 in de Ziektewet zijn gekomen. Het resultaat van de gewijzigde WAO is een aanzienlijke verlaging van de WAO-uitkeringen.

De opvulling van dit WAO-gat staat volop in de belangstelling. De belangen zijn ook groot. Het CAO-overleg in de metaalindustrie is inmiddels vastgelopen op de reparatie van de WAO-uitkeringen. De reparatie van de WAO kan op verschillende manieren gebeuren: via collectieve verzekeringen per onderneming of op grond van individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen van de werknemer zelf. Ook is reparatie in samenhang met de pensioenregeling mogelijk. Sommige pensioenregelingen kennen al bepalingen omtrent aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ook wel invaliditeitspensioen genoemd. Een toezegging van invaliditeitspensioen valt onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet. Dit betekent dat de werkgever zijn verplichtingen ter zake van het invaliditeitspensioen moet onderbrengen bij een bedrijfs-/ondernemingspensioenfonds, dan wel een professionele verzekeringsmaatschappij. De verzekeringsmaatschappij kan ook in het buitenland zijn gevestigd. Inmiddels bieden Duitse maatschappijen in Nederland al arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan. De afstemming van de uitkeringsvoorwaarden op de Nederlandse WAO moet dan goed worden geregeld. In geval van onderbrenging van het invaliditeitspensioen bij een pensioenfonds zullen zonodig de statuten en het pensioenreglement van het fonds daarop moeten worden aangepast.

Het dichten van het WAO-gat in de vorm van een individuele aanvullende verzekering van de werknemer zelf kan bij een verzekeringsmaatschappij of pensioenfonds. De Verzekeringskamer staat de uitvoering van dergelijke individuele aanvullende pensioenverzekeringen door een pensioenfonds evenwel slechts toe indien deze passen in het raam van de collectieve regeling.

Behalve de uitvoering is de inhoud van de toezegging omtrent het invaliditeitspensioen van belang. Het hangt van de formulering van de pensioentoezegging af of de verlaging van de WAO-uitkeringen automatisch tot een verhoging van het invaliditeitspensioen leidt. Is een invaliditeitspensioen toegezegd dat geheel onafhankelijk is van de hoogte van de WAO, dan hebben de wijzigingen in de WAO geen gevolgen voor de aanvullende pensioenrechten. Dit is zo wanneer een aanvulling op de WAO-uitkering is toegezegd ter grootte van een bepaald percentage van het salaris. Vaak gaat het om een aanvulling van 5 of 10 procent van het salaris. Ook bij een aanvulling op de WAO voor het salaris boven het maximum dagloon hebben de WAO-wijzigingen geen automatische consequenties.

Wanneer daarentegen aan de werknemer onvoorwaardelijk een vast percentage van het salaris met inbegrip van de WAO is toegezegd (bij voorbeeld: WAO + invaliditeitspensioen is 70 procent van het salaris), dan zal een verlaging van het WAO-recht automatisch worden gecompenseerd door een verhoging van het invaliditeitspensioen. De werknemer houdt aanspraak op het toegezegde percentage van het salaris aan WAO en invaliditeitspensioen tezamen. In dit soort pensioenregelingen brengt een verlaging van de WAO-uitkeringen derhalve tevens automatisch een verzwaring van de financieringslasten van de aanvullende pensioenregeling mee.

Bij beide soorten pensioentoezeggingen - zowel die zonder als die met automatische WAO-compensatie - zal over herziening van de pensioenregeling ongetwijfeld worden onderhandeld. Bij pensioen- toezeggingen met automatische compensatie zullen werkgevers de pensioenregeling willen beperken. Hierbij zal aan de orde komen of een wijziging van de pensioenregeling alleen voor nieuwe WAO-gevallen is toegestaan of ook ten aanzien van reeds ingegane uitkeringen. Dit laatste raakt het lastige juridische vraagstuk of aantasting van verkregen rechten is toegestaan.

Voor herziening van de pensioenregeling zal overleg met vakorga- nisaties nodig zijn en van een pensioenfonds zullen het bestuur en - indien aanwezig - de deelnemersraad hun oordeel moeten geven. In geval van uitvoering van de pensioenregeling door een verzekeringsmaatschappij moet de ondernemingsraad in beginsel instemmen. In een aantal gevallen zal verder de individuele instemming van de werknemers moeten worden verkregen. Ook procedureel heeft de herziening van pensioenregelingen dus heel wat voeten in de aarde. Het zou daarom doelmatig zijn indien in de komende WAO-wetgeving een zogenaamde paraplu-bepaling wordt opgenomen, op grond waarvan de wijziging in de WAO geen automatische effecten heeft voor de aanvullende pensioenregelingen. Dit geeft partijen de tijd om de pensioenregelingen aan de gewijzigde WAO aan te passen.