Slecht-weerscenario voor IJ-oevers

AMSTERDAM, 10 FEBR. Wat al enige tijd in de lucht hing is gisteren definitief bevestigd: het IJ-oeverproject als een integraal stedebouwkundig plan voor de Amsterdamse binnenstad is onuitvoerbaar. Het project, dat de laatste jaren uitgroeide tot het paradepaardje van de hoofdstedelijke ambities, zal bij gebrek aan baten hooguit in afzonderlijke partjes gerealiseerd worden. Van een totaal-aanpak van de braakliggende wastelands is geen sprake meer.

Deze boodschap werd gistermiddag gebracht door Jaap van Rijs, de directeur van de Amsterdam Waterfront Financieringsmaatschappij (AWF). De AWF, een vennootschap waar de gemeente Amsterdam samen met de Internationale Nederlanden groep in deelneemt, heeft de afgelopen anderhalf jaar benut voor het bestuderen van de haalbaarheid van de IJ-oever plannen. En hoewel het definitieve ondernemingsplan pas eind deze maand wordt gepresenteerd, maakte Van Rijs in een in verband met een aanhoudende geruchten ijlings vervroegde persconferentie duidelijk dat er van de oorspronkelijke ideeën weinig terecht zal komen.

Berekeningen leren, zo betoogde de AWF-directeur, dat de exploitatie van de grond toch niet de resultaten op zal leveren als aanvankelijk werd gehoopt. Van de "buffer' die op deze wijze gevormd had moeten worden voor investeringen in de infrastructuur in de drassige IJ-bodem bleef bedroevend weinig over. Op een totale grondwaarde van 500 miljoen gulden zou slechts 10 miljoen gulden overschieten.

Dat zijn geen rendementen waar men in beleggersland vrolijk van wordt. Zeker niet als een en ander bedoeld is als stootblok voor de miljarden die alleen al in de geplande metroverbindingen gestoken moeten worden. De funderingsproblemen in de zompige veengronden, de ineenstortende kantorenmarkt en de dieperliggende, bijna existentiële twijfel aan de rendementen op de Nederlandse vastgoedmarkt, deed ING uiteindelijk afhaken. Misschien dat de ING, als financiële kolos op de Nederlandse markt met bijna overal wel een vinger in de pap, ooit nog eens deelneemt in een van de deelplannen van het IJ-oeverproject. Maar daar blijft het bij.

De boodschap van Van Rijs werd gelaten aangehoord door verantwoordelijk wethouder Jeroen Saris (Groen Links) die eveneens aanwezig was om de pers te woord te staan. Hoewel de wethouder zich verder onthield van commentaar over de beslissing van de commerciële partner in de AWF, is duidelijk dat Saris - en met hem het hele bestuurscollege van Amsterdam - de gang van zaken als een gevoelige klap moet ondergaan.

Ondanks zijn achterban, die weinig van grootschalige projecten moet weten, stond Saris als geen ander vanaf het begin vierkant achter het prestige-project. Daarbij speelde vooral de "compacte stad'-gedachte een rol: terug naar een ecologisch meer verantwoorde combinatie van wonen en werken waarbij het forensenverkeer zoveel mogelijk wordt beperkt. De teleurstellende rendementscijfers maken een hardhandig einde aan deze ambities.

De wethouder beperkte zich gisteren dan ook vooral tot een toelichting op de plannen voor het Amsterdamse metronet en de wegen die eerder die dag tegelijk met het IJ-oeverplan aan een zware Kabinets-delegatie onder leiding van Kok en Lubbers was gepresenteerd. Het moet een wat merkwaardige bijeenkomst zijn geweest aangezien het op dat moment al duidelijk was dat het IJ-oeverplan wegens gebrek aan financiële middelen afgelast moest worden.

Niettemin moet de metro-uitbreiding onafhankelijk van het IJ-oeverproject uitgevoerd worden, zo betoogde Saris. Al was het alleen maar om de regeringsdoelstellingen voor de beperking van het autoverkeer te realiseren. Duidelijk was dat er van de zijde van het Kabinet geen enkele toezegging is gedaan over de nog ontbrekende miljarden voor de metroplannen. En hoewel de officiële onderhandelingen hierover nog moeten beginnen is dit - zeker gezien de zwaarte van de kabinetsdelegatie - een zware tegenvaller voor het Amsterdamse bestuurscollege zijn.

Bijkomend probleem is dat het rijk in de Vierde nota ruimtelijke ordening aandrong op het vormen van samenwerkingsverbanden van gemeenten en private investeerders bij het financieren van grote infrastructurele projecten. Dat in het geval van de IJ-oevers een dergelijke samenwerking niet blijkt te werken zal de bereidheid van het Rijk om voor de restfinanciering op te draaien er niet groter op maken.

Het "slecht weer-scenario' voor het IJ-oeverproject, dat eerder binnen de gemeenteraad werd besproken, kan uit de kast worden getrokken. De ironie van het lot wil dat de IJ-oeverplannen, zoals deze onder leiding van de architect Rem Koolhaas zijn ontwikkeld, al uit gingen van afzonderlijke “eilanden” aan het IJ, die ieder los van elkaar ontwikkeld worden. Deze aanpak - in wezen strijdig met de oorspronkelijke uitgangspunten van de gemeente - komt nu goed van pas.