Oud-topman Rutten van Economische Zaken neemt beleid kabinet onder schot; Kabinet-Lubbers draagt mede schuld aan huidige economische crisis

DEN HAAG, 10 FEBR. “Dit kabinet komt steeds te laat tot het goede inzicht, en repareert zijn fouten dan maar gedeeltelijk.” Prof.dr. F.W. Rutten, van 1973 tot 1990 secretaris-generaal van het ministerie van economische zaken en daarna enkele jaren voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, oordeelt hard over de huidige regeringsploeg. Zondagavond verweet hij het kabinet zelfs, voor de KRO-televisie, dat het mede schuld draagt aan een van de ergste economische crises sinds de Tweede Wereldoorlog.

Is Rutten een eigenwijze, rancuneuze oude heer die, nu hij ambtelijk buiten spel staat, vanuit zijn woonplaats Barendrecht politiek Den Haag bestookt met kritiek? Het mag soms zo lijken, feit is dat hij reeds in september 1992, toen minister Kok van Financiën de economische conjunctuur nog “gematigd positief” beoordeelde, waarschuwde voor tegenvallers. Twee maanden later moest het kabinet alsnog ingrijpen. Rutten kreeg de facto gelijk.

De grootste fouten maakte het kabinet Lubbers/Kok volgens Rutten echter bij zijn aantreden. “In het regeerakkoord van november 1989 werden de koppelingen tussen lonen en uitkeringen weer ten tonele gevoerd, en werd een beleidsintensivering van acht miljard gulden aangekondigd. Dit ondanks het feit dat een commissie van het wetenschappelijk instituut van het CDA, onder leiding van dr. J. Zijlstra, in het voorjaar van 1989 had gezegd dat er in 1990-1994 geen ruimte zou zijn voor meer uitgaven en ook niet voor herstel van de koppeling. Maar dat rapport verdween schielijk in de la.”

In september 1990, toen het kabinet Lubbers/Kok de Miljoenennota 1991 - de eerste eigen begroting - naar de Tweede Kamer zond, ging het volgens Rutten helemaal mis. En daar heeft hij toen al op gewezen. Rutten: “Ik schreef in september 1990 dat er een structureel gat zat in de begroting van tien miljard gulden. In het parlement mopperde men wel, maar de regering zei: voor het komend jaar is toch alles in orde?”

Daarna waarschuwde president Duisenberg van De Nederlandsche Bank in oktober dat de begroting voor 1991 een structureel gat van 17 miljard gulden bevatte. Het kabinet werd voor het blok gezet en haalde bakzeil. In februari 1991 verscheen de Tussenbalans, waarin twintig miljard gulden werd omgebogen. Dat loog er toch niet om? Rutten: “Maar dat gebeurde deels via lastenverzwaringen, en mijns inziens is dat slecht voor de economie.”

Sindsdien heeft minister Kok van Financiën elk jaar nieuwe ombuigingen moeten aankondigen. Hij staat inmiddels bekend als een solide minister van Financiën. Rutten heeft dan ook best enkele goede woorden over voor de PvdA-minister. “Kok heeft natuurlijk een goede presentatie. Het beste wat hij, gesteund door zijn adviseurs, heeft gedaan is zijn bijdrage aan de EMU, de Economische en Monetaire Unie. En hij heeft bij het schuiven met begrotingsposten niet teveel water in de wijn gedaan.”

Maar daar houden de complimenten ook wel op. Rutten: “De prognoses die het kabinet hanteert zijn keer op keer te gunstig, maar ook de reactie daarop is fout. Kijk, het is een standaardrecept in de economische politiek dat je de eerste jaren van een kabinetsperiode zuinig aan doet. Dan kun je de teugels later wat laten vieren. Daarin heeft dit kabinet gefaald.”

U levert forse kritiek op het eerste jaar van het huidige kabinet. Was inhoudelijk het verschil met het tweede kabinet Lubbers, toen de VVD meeregeerde, zo groot?

Rutten: “De mentale ommezwaai kwam al in 1988, nog onder het tweede kabinet-Lubbers. Toen in 1982 het eerste kabinet-Lubbers aantrad zat het bedrijfsleven in de vernieling. Economisch herstel stond toen voorop. Maar later veranderde dat. In 1988 concludeerde de politiek: het bedrijfsleven heeft zich hersteld, het is rijk en de staat is arm. Men kwam weer met allerlei wensen voor de collectieve sector. Dat was een grote wending.”

Toch hield Lubbers-II de knip op de beurs, volgens Rutten als gevolg van de belastingoperatie-Oort, die oorspronkelijk geen geld mocht kosten maar uiteindelijk neerkwam op een belastingverlichting van vier miljard gulden. Rutten: “Dan kun je je uitgaven niet teveel opvoeren.” Pas bij Lubbers-III kwam de echte ommekeer. Rutten: “Toen kwam de PvdA in de regering, en die had het bezuinigingsbeleid van 1982 tot 1989 steeds verketterd.”

Toch houdt Kok het financieringstekort vooralsnog op koers, en zorgt hij dat de uitgevende ministers zich aan hun begroting houden. Waarom acht Rutten het kabinetsbeleid dan toch zo slecht voor de economie?

Rutten: “Als de overheid tariefsverhogingen in de belastingen doorvoert, en als de sociale premies stijgen en de gemeentelijke heffingen, dan is dat slecht voor de economie. Professor Van Sinderen (Neerlands enige echte aanbodeconoom, werkzaam op Economische Zaken, red.) heeft met zijn model aangetoond hoe gunstig tariefsverlagingen in de tweede helft van de jaren tachtig zijn geweest voor de werkgelegenheid. De arbeidskosten daalden toen met een half procent per jaar. Nu stijgen ze met 2,5 procent per jaar. Over tien jaar leidt dat tot een verschil van drie- tot vierhonderdduizend arbeidsplaatsen!”

De btw-verlaging per 1 oktober 1992 kwam voor Rutten als mosterd na de maaltijd. “Het kabinet wees eerst een btw-verlaging van de hand, toen gingen de lasten en de prijzen omhoog, daarna de lonen, en toen moest men de btw wel verlagen. Je ziet steeds hetzelfde patroon: men is nog bezig met het achterstallig huiswerk van de vorige tegenvaller als zich al weer een nieuwe tegenvaller aandient. In augustus 1992 werd al duidelijk dat de centrale projectie van het Centraal Planbureau voor 1993 te rooskleurig was. Maar men is nu nog steeds bezig de begrotingsgaten die daardoor ontstonden, ook met het oog op 1994, in te vullen.”

Nadrukkelijk verklaart hij dat het niet zijn primaire bedoeling is om het kabinet in gebreke te stellen. Rutten: “Op dit moment is men overal druk bezig met de verkiezingsprogramma's voor de volgende kabinetsperiode. Ik hoop dat de economie en de industrie daarin een hoge prioriteit krijgen.”

Heeft Rutten na het RSV-debacle, dat hij zelf van nabij heeft meegemaakt, nog vertrouwen in een Nederlandse industriepolitiek? Gelooft hij bijvoorbeeld in het succes van het industriefonds dat minister Andriessen pas, samen met banken, pensioenfondsen en verzekeraars, lanceerde? Rutten: “Niemand pleit nu voor stroppenpotten. Vijftien jaar geleden had je de AA-kredieten voor sterke bedrijven, verstrekt door de Nationale Investeringsbank. Daar is flink op getrokken tot het geld op was, dat was een groot succes. Persoonlijk geloof ik het meest in een generieke faciliteit. Bijvoorbeeld een extra aftrek in de vennootschapsbelasting van research- en ontwikkelingsuitgaven. Maar het hoeft niet altijd geld te kosten. Ik denk dat de omgevingsfactoren belangrijk zijn. Bedrijven klagen dat ze niet vriendelijk worden behandeld. Na de oorlog bevorderde minister Van den Brink de industrialisatie door de woningbouw in de buurt van fabrieksterreinen prioriteit te geven. Ik zeg niet dat je dat nu weer zo moet doen, maar we moeten wel de infrastructuur verbeteren, en het onderwijs, vooral het technisch onderwijs. Daar wordt al jaren over gepraat maar er gebeurt niks.”

Premier Lubbers en centrale bankpresident Duisenburg houden de burger voor dat het nog wel meevalt met de recessie, maar recente berichten over DAF, Fokker en KLM doen de krantenlezer schrikken. Hoe schat Rutten de economische situatie in? “Het is in de economie als geheel niet zo erg als in 1981/'82, maar in sommige bedrijfstakken - de staal, delen van de chemie - is het even erg als toen. Vergeleken met de recessie van 1986/'87 is deze erger. Toen bleven de investeringen stijgen, nu niet.”

Is hij een eigenwijze oude heer? Rutten: “Dat is mischien zo, maar we hebben in de jaren tachtig onze lessen geleerd.” Toen het kabinet-Den Uyl in 1974/1975 de eerste oliecrisis met extra uitgaven - op z'n Keynesiaans - bedwong, was Rutten al topambtenaar van Economische Zaken. Maar tijdens de tweede oliecrisis ging het helemaal mis. Rutten: “Als je dan de werkloosheid met honderdduizend per jaar ziet stijgen, terwijl het overheidstekort volstrekt uit de hand loopt, dan weet je dat je de zaken anders moet wegen. Ik heb toen zelf ook mijn lessen geleerd en ik vind dat die in de volgende kabinetsperiode weer in de praktijk moeten worden gebracht. Het economisch herstel moet prioriteit krijgen.”