Nederlander gebruikt zijn auto vooral voor vrije-tijdsbesteding

DEN HAAG, 10 FEBR. Niet het woon-werkverkeer, maar de toegenomen combinatie van huishoudelijke taken, opvoeding, vrije-tijdsbesteding en werk heeft gezorgd voor meer drukte op de weg. Dit schrijft het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in een onderzoek naar de ontwikkeling van de mobiliteit tussen 1975 en 1990. Voor het onderzoek heeft om de vijf jaar een representatief deel van de bevolking een week lang een dagboek van verplaatsingen bijgehouden.

Uit het onderzoek blijkt dat vrije-tijdsbesteding in Nederland het belangrijkste vervoersmotief is. Ongeveer zes keer per week trokken de ondervraagden erop uit om te sporten, op visite te gaan of actief te zijn in het verenigingsleven. Gemiddeld duurden deze uitjes niet lang: na 2,3 uur verplaatsten de ondervraagden zich weer.

Ook voor huishoudelijk werk wordt vaker de auto gepakt, vooral door mannen die de kinderen wegbrengen en ophalen en de boodschappen doen. Hiervoor verplaatsten de ondervraagden zich gemiddeld eens per 2,4 uur. Mannen besteden eenvijfde tot eenvierde deel van hun huishoudelijke taken aan verplaatsingen, huisvrouwen niet meer dan eenelfde deel. Ook het huishoudelijk werk, en met name het boodschappen doen, genereert meer autogebruik dan het woon-werkverkeer. In 1975 was dit nog niet het geval. Het volgen van onderwijs vergt gemiddeld één verplaatsing op elke 3,1 uur.

Volgens het SCP is het aandeel van de auto in de totale mobiliteit tussen 1975 en 1990 gestegen van 41 tot 48 procent. Bij vrije-tijdsbesteding wordt de auto zelfs voor 57 procent van alle verplaatsingen gebruikt. Met name degenen die verschillende taken combineren, gebruiken de auto, al is ook onder gepensioneerden en huisvrouwen het autogebruik sinds 1975 toegenomen. Het aandeel van lopen en fietsen is met acht procent toegenomen, dat van het openbaar vervoer is gedaald van tien naar acht procent. Wel werd in bus, metro, tram en trein in 1990 gemiddeld meer tijd doorgebracht dan in 1975.

Voor woon-werkverkeer verplaatsten de ondervraagden zich om de vier uur. Dit is minder dan vroeger: doordat meer mensen ver van hun werk wonen, komen ze tussen de middag niet meer thuis. Hoewel het aantal verplaatsingen voor woon-werkverkeer is afgenomen, vergen ze wel meer tijd: in 1975 nog 50 minuten op acht uur, in 1990 één uur. Volgens het SCP bestaat tegenwoordig bijna dertig procent van de mensen die in de ochtendspits onderweg is uit recreanten en mensen die hun kinderen wegbrengen.