Lulkoekenweek

De komende boekenweek zal in het teken staan van de ego-documenten en bekentenissen. Er zullen ons veel nieuwe kijkjes worden vergund in de kleine besognes en het groot leed van dichters, romanciers en andere profeten. Het zal hartsgeheimen en mea culpa's regenen. Hier alvast een klein voorproefje van wat we kunnen verwachten.

Schrijver A. zal aan de hand van authentieke levenservaringen uitleggen hoe het is gekomen dat het metafysische element in zijn romans steeds sterker is geworden. Niet zozeer innerlijke als wel uiterlijke prikkels zorgden er voor, aldus zijn autobiografische notities, dat over al zijn boeken sindsdien dat onvervreemdbare magische waas kwam te hangen. De lezer zal zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat het een van de sterkste ervaringen van schrijver A. was dat hij eens de hand mocht schudden van iemand die eens de hand mocht schudden van de koningin, waarna schrijver A. in een trance is blijven rondlopen.

Schrijver B. zal opbiechten dat onlangs bleek hoe hard hij aan een leesbril toe was, waarbij hij minutieus al zijn bezoeken aan opticien en oogarts zal verslaan. Bovendien zal hij, min of meer terloops, mediteren over de uiteenlopende effecten die een min-drietje of een min-vijfje hebben op het creatieve schrijverschap, hetgeen zal maken dat zijn gang naar Canossa het anekdotische overstijgt. In de jaren zeventig was schrijver B. als recensent verbonden aan een landelijk weekblad. Zijn grootste verrassing kwam wel toen hij enkele boeken die hij destijds had gerecenseerd met bril overlas.

Schrijver C. zal ons onthullen dat er tientallen jaren een geheime vete tussen hem en schrijver D. heeft bestaan. Een verhaal dat iedereen zal verbazen die beide schrijvers zoveel malen broederlijk op boekenballen bijeen heeft gezien. “Iedereen dacht dat we vrienden waren”, aldus schrijver C., “maar buiten het licht van de schijnwerpers konden we elkaars bloed drinken.” De vete bloedde pas dood toen schrijver D. overleed. Wat hun ruzie inhield zal voorlopig nog geheim blijven. De voornaamste onthulling van schrijver C. zal zijn dat hij na de dood van schrijver D. het bloed van de vete, goed verpakt in een luchtdichte trommel, aan het Letterkundig Museum heeft geschonken. Er zal de eerste vijftig jaar een embargo op rusten, om represailles uit het hiernamaals te voorkomen.

Schrijver E. zal verslag uitbrengen van het schrijnende leed van een lijder aan plagiaatvrees. Het betreft hier een fobie waaraan volgens E. te weinig aandacht wordt geschonken, maar die een schrijversbestaan geheel kan verlammen. Wat te doen met spreekwoorden of met opschriften uit rijksbezit? Mag een hoofdstuk van een roman Onbewaakte overweg of Arbeit macht frei heten? Dit autobiografisch getinte verslag van schrijver E. is zijn debuut, telt vijf bladzijden, en zal geheel tussen aanhalingstekens staan.

Schrijver F. zal - in een pamflet met de titel Het einde van de homoseksualiteit - bekennen dat hij nooit homoseksueel is geweest. Hij zal er zijn spijt over betuigen dat hij zich, vóór het aids-tijdperk, de reputatie van homoseksueel heeft laten aanleunen. Hij acht nu de voormalige verkondigers van de vrije seks, zowel individuen als verenigingen, op een bepaalde manier verantwoordelijk voor de talloze aids-doden. Niet persoonlijk, maar zoals een groep als het Bauhaus verantwoordelijk is voor de misdaadcijfers in al de tochtige flats die er door haar invloed en gezag zijn verrezen. Waar een groep faalt, zo zal de strekking van het pamflet luiden, hoort een sympathisant zich te distantiëren. Er zal, meteen na de boekenweek, op de boetedoening van schrijver F. een fel protest volgen van de architecten.