Lessen RSV gelukkig niet verloren

De moeilijkheden van een aantal grote Nederlandse industrieën houden de gemoederen bezig. Moet de overheid zich terughoudend blijven opstellen? Mr. G.A. Wagner en drs. G.M.V. van Aardenne, ooit bepalend voor het gezicht van 's lands economie, zien de ontwikkelingen met lede ogen aan.

ROTTERDAM, 10 FEBR. Mr. G.A. Wagner (76), voormalig president-directeur van de Koninklijke/Shell Groep, vindt het noodzakelijk dat de overheid snel door onder meer monetaire en fiscale maatregelen “voorwaarden schept voor een florerend bedrijfsleven”.

Wagner wijt de slechte situatie waarin een aantal vooraanstaande ondernemingen verkeert behalve aan de algemene economische malaise ook aan overinvesteringen. “Op grond van het ongebreidelde optimisme van de jaren tachtig is te veel geïnvesteerd. Risico's werden aanvaard die destijds misschien gerechtvaardigd leken, maar die bij nader inzien te groot geweest zijn. Te veel handel en investeringen werden gedaan met te veel geleend geld, dat is welbeschouwd handel in lucht”, zegt Wagner.

In 1976 wezen de oud-Shell-topman en acht andere ondernemers het kabinet op de in hun ogen snel verslechterende concurrentiepositie van Nederland. Die oproep bracht minister Van Aardenne begin jaren tachtig ertoe Wagner te vragen het Nederlands industriebeleid in kaart te brengen en tot aanbevelingen te komen voor mogelijke veranderingen. Als voorzitter van de Commissie-Wagner I en II drong hij toen aan op loonmatiging, minder steun aan individuele bedrijven en een industriebeleid dat zich vooral zou concentreren op kansrijke sectoren. Elke twee jaar diende onderzocht te worden of de geselecteerde sectoren nog steeds als kansrijk moesten worden gezien. “Zo'n herziening heeft helaas nooit plaatsgehad”, zegt Wagner.

“Mijn mening van nu staat nog steeds beschreven in de rapporten van toen. De oorzaak van de huidige malaise is te vinden in structurele veranderingen in de wereldeconomie, zoals de politieke verschuivingen in het Oost-blok en technologische vernieuwingen. Bovendien is sprake van een conjunctureel dal, waar we wel weer uitkomen. De vraag is hoe. Een gevestigde onderneming zou geen risico's mogen aanvaarden die, als het onverhoopt mis gaat, het faillissement van de hele zaak inluiden.”

Wagner prijst zich gelukkig dat “de harde lessen van het RSV-debâcle” niet verloren zijn gegaan. “De overheid moet alleen financiële hulp bieden als het echt niet gaat bij een bedrijf. Eerst met generieke maatregelen, en als uiterste mogelijkheid met specifieke. De "bewijslast' ligt in dat geval bij het bedrijf, dat moet aantonen dat overheidshulp ècht nodig is. De overheid is terecht niet meer een blinde voortrekker. Ze moet pas te hulp schieten als ook particulier kapitaal beschikbaar is.”