Hinder de wet

DE NEDERLANDSE veehouderij klaagt over “oneigenlijk gebruik van de Hinderwet”. Daarmee doelt men niet op de bedrijven die ondanks herhaalde waarschuwing nog steeds zonder de vereiste vergunning werken of daarop vooruitlopend alvast hebben uitgebreid, maar op beoordeling van individuele vergunningen naar de mate waarin de omgeving reeds is verzuurd door veeteelt. De kwalificatie “oneigenlijk” is misplaatst nu de Raad van State deze interpretatie van de Hinderwet onlangs juist met zoveel woorden heeft aanvaard. Het woord van de rechter is doorslaggevend.

Iets anders is dat de praktische consequenties wellicht verder gaan dan regering en parlement zich hebben gerealiseerd. Het zou niet de bedoeling van de “ecologische richtlijn” in de Hinderwet zijn geweest bestaande bedrijven in verzuurde gebieden te dwingen tot sluiting maar alleen om uitbreiding van de bedrijvigheid in dergelijke gebieden een halt toe te roepen. Als dat inderdaad het geval is, dan ligt het in de lijn een noodwetje te maken, zoals het kabinet ook van plan is.

Daarvoor is nog een andere reden aan te voeren. Opmerkelijk aan de Hinderwetaffaire is dat zij op scherp is komen te staan doordat milieu-organisaties naar de rechter zijn gelopen. Particulieren dus en niet de controleurs van de overheid zelf. Veel officiële organen voeren op dit gebied van oudsher een gedoogbeleid. Daarvan begint de overheid zelf terug te komen, maar het kan geen kwaad wanneer bewuste burgers haar een zetje in de rug geven. Het valt echter ook niet te ontkennen dat de interventie van de milieu-organisaties de maatschappelijke polarisatie heeft vergroot. Om de schokeffecten behoorlijk te kanaliseren is enigerlei vorm van regulering niet onverstandig. Geen generaal pardon, maar wel bijvoorbeeld de premie van een zekere geleidelijkheid wanneer men in een bepaalde streek serieus rondom de tafel gaat zitten.

MEER DAN tijdelijk effect valt van een noodwetje overigens niet te verwachten, nog afgezien van niet onbelangrijke kwesties als de precieze peildatum voor de toegelaten omvang van veebedrijven. Voor het hinder-noodwetje geldt hetzelfde als voor het gedoogbeleid in het algemeen: uiteindelijk zullen dergelijke tegemoetkomingen toch dienstbaar moeten zijn aan de beteugeling van het hele mestprobleem. Dat omvat nog wel wat meer dan hinderwetvergunningen en vormt een harde opdracht voor de intensief werkende Nederlandse veehouders, die dan ook niet kunnen ontkomen aan harde maatregelen.

Het moet natuurlijk niet zo zijn dat een Hinderwetvergunning een belemmering zou vormen voor milieuvriendelijke vervangingsinvesteringen. Maar in grondig verzuurde gebieden kan moeilijk iets anders gelden dan “oud voor nieuw”: de bestaande bedrijven zullen een stap terug moeten wil er ruimte zijn voor nieuwe en betere methoden.