"Geen Amerikaans geld voor dieven'; Ambassadeur VS brengt bewind Kenia tot razernij

NAIROBI, 10 FEBR. “Het Amerikaanse volk wil geen geld geven aan dieven.” De Amerikaanse ambassadeur Smith Hempstone vertelt over de relaties tussen de Verenigde Staten en het bevriende Kenia. Met “dieven” bedoelt hij corrupte leden van de Keniase regering van president Daniel arap Moi.

Als Hempstone over de president zelf praat, neemt hij al evenzeer geen blad voor de mond. “Hij heeft het nog steeds niet begrepen. Je zou verwachten dat de boodschap na de verkiezingsuitslag tot hem was doorgedrongen. De presidentskandidaten van de oppositiepartijen kregen tezamen méér stemmen dan Moi, en vijftien van zijn ministers verloren hun zetels. Je zou na zo'n uitslag verwachten dat de president fijnbesnaarder optreedt. Maar dat is niet het geval.”

Niet alle diplomaten stellen zich diplomatiek op. De 60-jarige Smith Hempstone wist in de vier jaar dat hij de Amerikaanse ambassade in Kenia leidde, de autoriteiten tot razernij en wanhoop te brengen. Zijn uiterst bijtende opmerkingen over het Keniase gezag vielen ook al niet goed in het Westerse corps diplomatique. De Keniase oppositiepartijen daarentegen dragen Hempstone op handen. Hempstone leverde door zijn strijdlustige houding een belangrijke bijdrage aan de liberalisering van het starre één-partijsysteem in Kenia. “Zonder mij hadden de stormachtige gebeurtenissen ook wel plaatsgehad”, zegt hij, “maar misschien waren deze ontwikkelingen later begonnen en waren ze bloediger geweest.”

De voormalige Britse ambassadeur Roger Tomkys behoort tot de Westerse collega's die felle kritiek hebben op Hempstone. “Ondanks diens prachtige uitspraken, slaagde Hempstone er nooit in met hoge ministers of de president te spreken. Daarom oefende hij weinig invloed uit in Kenia”, zei de Britse gezant onlangs in Londen. Tomkys' voorganger John Johnson kon het ook al niet met Hempstone vinden: “Hij kwam als een journalist naar Kenia, niet als een diplomaat. Amerika had weinig belangen in Kenia.”

Hempstone legt zijn voeten op tafel en steekt weer een sigaret aan. “Johnson verwijt me als journalist te zijn gekomen. En wat dan nog? Ik had hier ook als begrafenisondernemer kunnen komen.” Waarna hij op serieuze toon vervolgt: “De meeste Westerse diplomaten verdedigen in Kenia een mislukte politiek. Er werd door het Westen nooit geprobeerd druk uit te oefenen op de Keniase leiders. De diplomaten maakten zich nooit erg druk om de politieke situatie van dit land. Iedere diplomaat had zo zijn eigen belangen te verdedigen. Overigens, ik heb Moi wel degelijk vele malen ontmoet, en nog veel meer Keniase politici, veel meer dan me lief was.”

Jarenlang was Kenia in Afrika de lieveling van het Westen. Vooral de Britten, die grote economische belangen hebben in Kenia, weigerden zich openlijk uit te spreken over de snel toenemende corruptie, over andere vormen van officieel machtsmisbruik en over de schending van de mensenrechten. Met het einde van de Koude Oorlog kon het Westen zich kritischer opstellen.

Hempstone kwam als geroepen voor dit nieuwe tijdperk. Geen week ging voorbij of de Amerikaanse ambassadeur hekelde het gebrek aan democratie. Toen Moi in december van de viering van de onafhankelijkheidsdag onverwachts een verkiezingsbijeenkomst maakte, liep Hempstone tot ergernis van de president boos weg. Hij onderhield openlijk contacten met de toen nog illegale oppositie en gaf onderdak op zijn ambassade aan vluchtende dissidenten. Mede door zijn toedoen schortte het Westen in 1991 350 miljoen dollar aan hulp voor Kenia op. Eerst moesten er ingrijpende economische en politieke hervormingen komen, stelde het Westen.

Door zijn luidruchtige optreden reikte de faam van Hempstone ver over de Keniase grenzen. Menig dissidente Afrikaan verzuchtte elders: hadden wij maar zo'n Amerikaanse ambassadeur. Het Keniase gezag liep rood aan van ergernis. Op al even ondiplomatieke wijze beschuldigden ministers Hempstone ervan een racist te zijn met de mentaliteit van een slavendrijver, een handelaar in drugs en een alcoholist. “De Keniase regering heeft in Washington gelobbied om me te laten terugroepen. Ze heeft met geld gesmeten om dat gedaan te krijgen. Maar over het algemeen werd ik gesteund in Washington.”

Zichtbaar tevreden met zichzelf stelt Hempstone hoe zijn controversiële optreden succes heeft gehad. “Er zit nu een sterke en kritische oppositie in het parlement.” Hij erkent onmiddellijk dat de méér-partijenverkiezingen, de eerste in 25 jaar, die hieraan vooraf gingen, vele onregelmatigheden vertoonden. “Fraude vond al vóór de verkiezingsdag plaats. De verkiezingen zelf verliepen redelijk vrij en eerlijk. Maar het tellen van de stemmen mochten wij niet bijwonen. Ik twijfel er niet aan dat bij het tellen zich rare zaken voordeden. Als Moi denkt dat we dit allemaal hebben geaccepteerd, dan kan hij nog een verrassing verwachten wanneer we binnenkort over hervatting van hulp aan Kenia gaan onderhandelen.”

Volmondig kritiseert Hempstone eveneens zijn eigen regering. “Wij Amerikanen zijn soms te simplistisch. En te optimistisch.” Hempstone keerde zich tegen de Amerikaanse interventie in Somalië. “Ik adviseerde mijn regering dat de Somalische toestand te complex is. Waarschijnlijk heeft mijn regering niet eens nagedacht over de politieke problemen waarmee we geconfronteerd zouden worden. Pas toen de soldaten er waren gearriveerd, realiseerden we ons hoe ingewikkeld de problemen waren. Ja, zoiets kan voorkomen met Amerikanen.”

Met groot genoegen zien de Keniase regering en collega-diplomaten deze maand Hempstone vertrekken. Keniase en buitenlandse journalisten treuren om zijn vertrek. Hempstone wil na terugkeer zijn oude werk weer oppakken, dat van journalist.