Een saai land, bevolkt door ongelukkige ingenieurs

Nederland kan theoretisch zonder industrie, maar realistisch is dat niet. Mocht de Nederlandse industrie in verval raken, dan lijden ook andere sectoren daaronder. Deel drie in een artikelenserie over industrie in Nederland.

Soms wordt ze overvallen door een sombere bui. Het overkomt haar 's ochtends als ze oog in oog staat met het steriele glaspaleis waarin ze werkt. Het overkomt haar ook als ze te lang staart naar de cijfercodes die in lange kolommen over haar computerscherm rollen en produkten voorstellen die van A naar B gaan. Produkten die ze nooit heeft gezien. Produkten van overzee, die hooguit enkele uren in Nederland verblijven, op doortocht naar Midden-Europa. Produkten die het land vrijwel onberoerd laten, slechts een vluchtig spoor trekken door haar computerbestand.

Wat had ze graag met die produkten zelf gewerkt. Op school koos ze exact. Maar eenmaal op de Technische Universiteit bleek er helemaal geen vraag te zijn naar ingenieurs. Rond de eeuwwisseling had iedereen er de mond vol van transport en financial services. De dienstensector moest een uitweg bieden uit de "industriële winter', een uit Amerika overgewaaide term die tijdens het fin de siècle op ieders lippen lag.

Haar medestudenten hadden geprobeerd er het beste van te maken. Velen vertrokken naar Taiwan en Zuid-Korea, een enkeling vestigde zich in Mecklenburg-Vorpommern, dat dank zij Westduits geld tot bloei was gekomen. De achterblijvers zochten verpozing op de plassen in Pernis.

Uiteindelijk had ze een baantje gevonden. Bij een grote expediteur bewaakt ze de computergestuurde administratie. In het glaspaleis heeft ze een mooie kamer. Alleen soms, soms heeft ze last van die sombere buien: ze leeft in een land dat geen behoefte heeft aan haar werkelijke talent.

Zou het scholieren die exacte vakken kiezen inderdaad kunnen gebeuren: een toekomst zonder industrie, een Nederlandse economie die geen behoefte heeft aan ingenieurs en alleen nog uit dienstverlening bestaat? Een samenleving waar liefde voor dode materie en de wetten die haar regeren een randverschijnsel is, een leuke hobby, maar economisch van generlei waarde?

McKinsey-directeur M. Huybregtsen acht een industrieloze samenleving niet uitgesloten. “Puur economisch is een land zonder industrie voorstelbaar. Een land kan volstrekt zonder; industrie is geen factor om te overleven. Het is traditioneel denken om te zeggen dat je niets verdient als je niets maakt, het is traditioneel om de service sector als een paria te zien. De economie bestaat voor een steeds groter deel uit diensten, dus vooruitgang is steeds meer afhankelijk van diensten.”

Voor Huybregtsen is er maar één reden om de teloorgang van industriële ondernemingen met treurnis gade te slaan: Nederland wordt een saai, eenzijdig land. “Er is een emotioneel argument om alles te hebben: een land is rijk als het violisten, beeldhouwers en stratenmakers heeft.” Een tuin met uitsluitend gladiolen en tulpen kan bestaan, zegt Huybregtsen, maar een boeiende tuin is het niet.

Nu een deel van de Nederlandse industrie in moeilijk vaarwater verkeert, lonkt het perspectief van een Gouden Eeuw voor het Witte Boord. Met saneringen en voortslepende reddingsoperaties aan de orde van de dag wint industrie-pessimisme aan populariteit. Schuilt in de recente problemen geen krampachtig streven activiteiten voor Nederland te behouden die hier eigenlijk niet meer thuishoren? Als steeds opnieuw blijkt dat Japanners en Duitsers, Koreanen en Amerikanen betere prestaties leveren, moet Nederland daar dan koste wat het kost mee blijven concurreren? Nederland is toch niet gebaat bij bedrijven die onder curatele staan van overheid en banken?

Bovendien is de Nederlandse economie veelzijdig. Ze biedt naast de industrie tal van andere - economisch levensvatbare - bezigheden. De ligging aan zee, de infrastructuur en het opleidingsniveau hebben bijgedragen aan een florerende dienstensector. Biedt zij geen alternatief voor de kwakkelende staalbewerkers die om de haverklap de voorpagina's halen?

Pag.18: Huidige saneringen maken deel uit van voorbereidingen op een nieuw tijdperk; Nederland voorop in groei dienstensector

Soms schuilt de populariteit van een argument in een bondige formulering. Tien jaar geleden vatte de Amerikaan John Naisbitt twee eeuwen economische ontwikkeling samen in drie woorden. Boer-Arbeider-Bediende. De van oorsprong agrarische samenleving, zo luidde zijn stelling, is eerst vervangen door een industriële samenleving. Aan het einde van de twintigste eeuw wordt die industriële samenleving op haar beurt afgelost door een samenleving van informatieverwerkers, van dienstverleners. In 1982 heette de toekomst daarom "post-industrieel'.

Amerikaanse academici als Daniel Bell en "zieners' als Alvin Toffler en John Naisbitt onderbouwden hun visie met indrukwekkende, overal zichtbare bewijzen. Het aantal werknemers in de industrie nam af, industriële bedrijvigheid trok zich terug uit Amerika en Europa om haar heil te zoeken in Azië. De groei in het Westen zat in de dienstverlening, in de opmars van advocaten, consultants, bankiers en verzekeraars.

De nieuwe trend had verstrekkende gevolgen. Geïndustrialiseerde naties als de Verenigde Staten en Nederland hoefden niet langer in paniek te raken bij de aankondiging van fabriekssluitingen. Integendeel, de afbraak van industriële werkgelegenheid was een pijnlijke, maar noodzakelijke voorbereiding op een nieuw tijdperk. Het waren de eerste tekenen van een toekomst zonder geestdodend en vuil fabriekswerk, van een economie met hoogstaande "schone' werkgelegenheid voor de meerderheid van de beroepsbevolking. Het Westen zou daarbij zijn kennisvoorsprong op de rest van de wereld uitbuiten en de monotonie van 19e eeuwse fabriek exporteren naar landen die er beter geschikt voor zijn, de lage-lonenlanden.

Nederland is een van de koplopers gebleken in de ontwikkeling die Naisbitt en de zijnen onder de aandacht hebben gebracht. Verhoudingsgewijs kent Nederland na de Verenigde Staten de grootste commerciële dienstensector ter wereld. In de VS dragen diensten drie keer zoveel bij aan het nationale produkt als de industrie. In Nederland is dat 2,5 keer zoveel. Het Europese gemiddelde ligt op 2. In Japan overtreft de dienstensector de industrie met slechts 30 procent. Ook in statistieken over Nederlandse werkgelegenheid komt de vervanging van industrie door diensten duidelijk tot uitdrukking. In 1970 verzorgde de industrie 35 procent van de werkgelegenheid en de dienstensector bijna 60 procent. Twintig jaar later is het aandeel van de industrie gedaald tot 26,5 procent en nemen dienstverlenende ondernemingen 68,6 procent van de werkgelegenheid voor hun rekening.

Tegen die achtergrond verliest de afnemende automobielproduktie in Nederland zijn scherpe kantjes. De perikelen van NedCar en Daf vormen zo niet langer nationale crises, maar onfortuinlijke bijprodukten van een onontkoombare omwenteling. Het is wellicht een geruststellende constatering dat de huidige saneringen deel uitmaken van voorbereidingen op een nieuw tijdperk, maar een industrieloze economie is geen realistisch toekomstbeeld. Er is een heel eenvoudige manier om af te rekenen met de gedachte dat Nederland zonder industrie kan: schrap haar uit de statistieken. Het gat dat de dienstverlening zou moeten opvullen is enorm. Zij zou voor twintig procent van het bruto nationaal produkt en voor zestig procent van de Nederlandse export een alternatief moeten bieden.

Exacte berekening van het effect van een "industriële winter' op de Nederlandse economie is niet haalbaar. Met enige welwillendheid is wel in te zien dat substitutie van industrie door diensten vrijwel ondenkbaar is. Als de landbouw en de daarmee verbonden voedingsmiddelenindustrie, het trotse agro-industriële cluster, buiten beschouwing worden gelaten, blijkt dat Nederland al jaren een schrijnend tekort heeft op de handelsbalans voor industriële goederen. Op de balans voor "klassiek'-industriële produkten bestond in 1983 een tekort van 1,6 miljard gulden. In 1992 was dat tekort opgelopen tot een ijzingwekkende 15 miljard.*

Op de dienstenbalans heeft Nederland doorgaans een overschot, waaruit blijkt dat Nederlandse dienstverleners in het buitenland hun mannetje staan. Het dienstenoverschot, in 1992 2,7 miljard, verbleekt evenwel vergeleken met de enorme tekorten op de balans voor klassieke industriegoederen. De dienstensector is in de huidige situatie dus niet in staat om te betalen voor de vraag naar industriële produkten uit het buitenland. Alleen dank zij de export van landbouwprodukten en voedingsmiddelen wordt Nederland behoed voor een tekort op de handelsbalans. Nederland drijft dus niet op de dienstensector maar op de combinatie diensten/landbouw.

Als de dienstensector nu al "te klein' is, dan ligt het niet voor de hand dat hij soepel de fakkel van industrie zal kunnen overnemen mocht die in Nederland ooit wegkwijnen. De behoefte aan klassiek-industriële goederen uit het buitenland kwam in 1992 op ongeveer 172 miljard gulden. De export van de dienstensector kwam op 51,9 miljard. Om in de behoefte aan Duitse machines en Italiaanse kantoormeubels te kunnen voorzien zou de export van de dienstensector ruim drie keer zo groot moeten zijn als nu het geval is. Is dat realistisch?

De prestaties van dienstensector tot op heden zijn niet bemoedigend. Uit een recent OECD-rapport blijkt dat de zes landen die in de afgelopen dertig jaar de laagste groei hadden sneller zijn gegroeid in dienstverlening dan in industrie.** In de snelst groeiende OECD-landen was dat precies andersom. De OECD biedt daarvoor een gedeeltelijke verklaring: de produktiviteitsgroei in de industrie was veel groter dan in de dienstverlening. Sinds 1979 nam de produktiviteit in de industrie van OECD-landen toe met 2,9 procent per jaar. In de dienstensector was dat slechts 0,7 procent.

Voorstanders van een diensteneconomie zien in de historisch lage produktiviteit van de dienstensector juist een enorm potentieel voor verbetering. Stonden de jaren '70 en '80 in het teken van en sanering in de industrie, voor de jaren '90 wordt een sanering van de dienstensector voorspeld. Instellingen als de OECD en McKinsey houden daarmee in ieder geval rekening. Produktiviteitsverbetering in de dienstensector door automatisering is veel moeilijker gebleken dan in de industrie. Zo wordt in de bankwereld geklaagd dat de grote investeringen in automatisering niet het gewenste effect sorteren.

Maar de technologische ontwikkeling schrijdt voort en gezien het grote aantal arbeidsplaatsen is de motivatie om tot verbetering van de produktiviteit te komen groot. Als de produktiviteitsimpuls inderdaad komt, dan is de dienstensector in de toekomst beter in staat het verlies van industriële bedrijvigheid op te vangen dan uit de historische cijfers blijk. Daar staat tegenover dat ze dan onmogelijk ook nog eens het verlies van industriële arbeidsplaatsen kan opvangen.

Afgezien van kwantitatieve overwegingen is er nog een veel verstrekkender reden waarom van eenvoudige substitutie geen sprake kan zijn. Industrie en dienstverlening zijn in de economie met elkaar vergroeid en onderling nauwelijks meer van elkaar te scheiden.

Mocht de Nederlandse industrie in verval raken, dan blijft het gat in de economie niet beperkt tot de industrie zelf. De dienstverlening zou een deel van haar clientèle verliezen en daardoor ook moeten inkrimpen. Industriëlen wijzen er graag - en niet zonder reden - op dat, indien industrie wegvalt, de banken minder kredieten kunnen verstrekken, de consultants minder adviezen kunnen geven, de cateraars minder broodjes kaas kunnen slijten en de distributeurs niets meer hebben om te vervoeren. Dat argument heeft ook een keerzijde: de dienstensector stimuleert de industrie. Als de optiebeurs automatiseert, stijgt de vraag naar beeldschermen; bouwt Golden Tulip een nieuw hotel, dan komt een heel scala aan industrieën aan bod.

De twee sectoren zijn tot op zekere hoogte direct afhankelijk van elkaar. Niet alle dienstverlening zal tot stilstand komen als de industrie het begeeft, wel een belangrijk deel. Er blijft behoefte aan obers en kappers, het lot van deskundigen op het gebied van procesautomatisering is veel onzekerder. Voor de VS is berekend dat zeker 25 procent van de dienstensector direct leeft van de industrie. In de Nederlandse economie uit zich de verwevenheid in een toename van de onderlinge leveringen tussen beide sectoren. In 1990 bedroegen die leveringen 10 procent van het nationaal produkt.

De twee sectoren leunen niet alleen gedeeltelijk op elkaar, ze zijn ook steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden. Machinebouwer Stork heeft de naam een industrieel concern te zijn. Dat klopt, maar het dekt de lading slechts half. Precies de helft van de Stork-omzet wordt verdiend met dienstverlening. Iets vergelijkbaars doet zich voor bij een van de prototypes van de Amerikaanse industriële onderneming, General Motors. Een van de GM's belangrijkste toeleveranciers is een dienstverlener, verzekeringsmaatschappij Blue Cross-Blue Shield. Een van de belangrijkste GM-produktgroepen is financiële dienstverlening, bestaande uit verzekeringen en leningen aan klanten.

De traditionele industriële onderneming deed het liefste alles zelf. Nu besteedt de industrie vaker taken uit aan de gespecialiseerde leveranciers van diensten, variërend van catering tot transport. Een deel van Philips' operatie Centurion bestond bij voorbeeld uit verzelfstandiging van niet-vitale activiteiten en aanhalen van de banden met belangrijke toeleveranciers.

De manier waarop de industrie de consument benadert werkt de verstrengeling eveneens in de hand. Steeds meer ligt de nadruk op produkten die op specifieke eisen van een kleine groep klanten worden afgestemd. In advertenties spreekt de industrie kleine doelgroepen aan, ze biedt speciale financieringspakketten, ze maakt nauwgezette afspraken over leveringen en ook na de verkoop besteedt een bedrijf meer aandacht aan de koper dan vroeger. Een produkt dat tegenwoordig een industriële onderneming verlaat bevat dus een grotere dienstencomponent dan voorheen.

De toegenomen verstrengeling en de wederzijdse afhankelijkheid van diensten en industrie maakt een industrieloos tijdperk uiterst onaantrekkelijk. De cijfers wijzen er bovendien op dat substitutie, op zijn zachtst gezegd, niet erg aannemelijk is. Hoe zit het dan met die post-industriële samenleving? Lagen de bewijzen daarvoor destijds niet voor het oprapen?

De opeenvolging van maatschappelijke modellen van Naisbitt cum suis beschrijft slechts een deel van de werkelijkheid. Zoals onder andere verwoord in "Manufacturing Matters' van de Amerikanen Cohen en Zysman is er niet alleen sprake van opeenvolgende modellen, maar evenzeer van onderling verbonden sectoren. Net zoals de landbouw niet is verdwenen met de opkomst van de industrie, zo ligt het ook niet voor de hand dat de dienstverlening de industrie opvolgt. Amerika is nog steeds een vooraanstaande landbouwnatie. Het is niet de landbouw die is verdwenen, stellen Cohen en Zysman, maar de werkgelegenheid in de landbouw. De landbouw is gemoderniseerd, geautomatiseerd. Ze biedt werk aan minder boeren, maar de boeren zijn wel in hogere mate afhankelijke van talloze deskundigen en specialisten.

Hetzelfde geldt voor de industrie: de werkgelegenheid daalt, maar het belang van de industrie voor de economische structuur neemt daarmee niet rechtevenredig af. De industrie biedt minder werk aan industrie-arbeiders, maar is veel afhankelijker geworden van toeleveranciers, veelal dienstverleners. Industriële bedrijven maken deel uit van een cluster dat bestaat uit andere industriële ondernemingen, uit onderwijsinstellingen en uit leveranciers van diensten. De problemen rondom Daf, Fokker en NedCar krijgen, zo bezien, wel een onheilspellende klank. Gaat een kern van zo'n cluster verloren, dan komt het hele netwerk in moeilijkheden.

De onderlinge verwevenheid stelt een klein land als Nederland voor een probleem. Nederland is zo klein dat onmogelijk alle denkbare economische bedrijvigheid hier onderdak kan vinden. Een deel van de dienstverlening moet dus ten goede komen aan buitenlandse ondernemingen, zoals een deel van de metaalindustrie leeft als toeleverancier van de Duitse auto-industrie. Maar de kleine omvang van Nederland is op zichzelf geen excuus om niet op zijn minst in een paar sectoren hoofdaannemer te willen blijven.

Conjuncturele tegenslag in de Nederlandse industrie maakt nog lang geen "industriële winter". In een èchte industriële winter ontstaat onmiddellijk een lacune in vitale economische statistieken en vallen er gaten in het fijnmazige netwerk van bedrijvigheid waarop Nederland rust.

Bovendien ontstaat er een land dat inefficiënt omspringt met zijn talent, dat geen plaats meer biedt aan de liefhebbers van Pythagoras en Newton. Een saai land van glaspaleizen, vol ongelukkige ingenieurs. Een land waarop men snel is uitgekeken.

* De balans voor klassiek-industriële goederen is verkregen door uit de goederenbalans de sectoren chemie, fabrikaten, machines en vervoermaterieel en diverse gefabriceerde goederen te lichten. Data: DNB, afdeling statistische informatie en rapportage. Dienstenbalans volgens lopende rekening. De cijfers voor 1992 bestaan uit de eerste elf maanden 1992 en december 1991. **Industrial Policy in OECD Countries, Annual Review 1992.