Zaalsport krijgt duizendste statussymbool

Het begon in veilinghallen en busremises. Sporters die een schuilplaats zochten voor het gure klimaat en in de geur van appeltjes of dieselolie een indoorcompetitie speelden. De eerste echte sporthal kwam er in 1964, gisteren werd de duizendste sporthal geopend.

ROTTERDAM, 9 FEBR. Nederland heeft zevenduizend gymzalen, driehonderd sportzalen en sinds gisteren duizend multifunctionele sporthallen. De voorzitter van de Nederlandse Sport Federatie (de NSF), Marten Kastermans, opende in Gouda de duizendste sporthal: de "Zebra', een architectonisch hoogstandje van 7,6 miljoen gulden. De eerste sporthallen (met een afmeting van minimaal 42 bij 22 bij 7 meter) in Nederland zijn gebouwd in 1964, de oudste is die aan de Nassaulaan in Middelburg.

Het aantal hallen groeit de laatste jaren met ongeveer dertig per jaar. Op dit moment overwegen 150 gemeenten, stichtingen of verenigingen een sporthal te bouwen, zegt Piet van der Kruk, het hoofd van de afdeling sportaccommodaties van de NSF. Met dit duizendtal bestaat er voldoende capaciteit om het half miljoen gebruikers tevreden te stellen. In 1970 constateerden de gezamenlijke sportbonden nog een duidelijk tekort. Toen stonden er slechts 150 hallen. Een decennium later was dat aantal opgelopen tot 500. “Het ging goed met de economie, iedere gemeente wilde graag zijn eigen hal. Het waren statussymbolen”, vertelt Van der Kruk.

Maar begin jaren tachtig stagneerde met de economie ook de bouw van sporthallen, terwijl de belangstelling voor binnensporten als volleybal, basketbal en badminton groeide. Dankzij de toen opgerichte Stichting Verenigingshallenplan kon daarna niet alleen de gemeente, maar ook een sportverenigingen zelf een hal bouwen. De Stichting Waarborgfonds Sport verleende de verenigingen de noodzakelijke garanties om geld te kunnen lenen bij een bank. “Voetbalclubs of korbalclubs kunnen sindsdien een omgekeerde schoenendoos naast hun kantine zetten”, vertelt Van der Kruk. “Een eenvoudige hal voor weinig geld.”.

De afdeling sportaccommodaties van de NSF begeleidt de bouw van de complexen. Daarvoor hanteert de NSF een groot aantal kwaliteitseisen, vastgelegd in duizend bladzijden met normen en richtlijnen waar de hallen aan moeten voldoen. Zo mag bijvoorbeeld een vloer niet te glad en niet te stroef zijn. Ook de akoestiek is belangrijk. “Ga maar eens in een kerk sporten”, suggereert Van der Kruk. Sporthallen mogen niet te veel "nagalm' hebben. Voldoet een hal aan de regels uit het handboek dan krijgt het de "sporttechnische goedkeuring van de NSF'.

Een hal kostte in 1970 ongeveer 2,5 miljoen gulden. De kostprijs van een complete "multifunctionele' hal ligt nu lager dan twintig jaar geleden. Volgens Van der Kruk hoeft een hal niet meer dan één tot anderhalf miljoen gulden te kosten, omdat er tegenwoordig eenvoudiger en goedkoper wordt gebouwd. Bovendien heeft de NSF, om de bouw te stimuleren, de eisen die de federatie aan een hal stelt de laatste jaren aanzienlijk versoepeld.

Om de lasten van de sporthal te verminderen gaan steeds meer gemeentes er toe over de exploitatie van een sporthal over te dragen aan de gebruikers. “De NSF vraagt daarbij om voorzichtigheid. Dat kan niet te ver gaan, je kan niet alle kosten afwentelen op de sportverenigingen en de vrijwilligers die daar werken”, zegt Van der Kruk.

De "Zebra', die zijn naam te danken heeft aan de zwart-witte strepen aan de buitenkant, is eigendom van de gemeente Gouda. De hal is ontworpen door gemeente-architect Frans van Driel. “Een hal is meestal een blokkendoos, dat is ook goedkoper, maar wij wilden een mooi, markant gebouw”, zegt een woordvoerder van de gemeente. De vloer van de Zebra bevindt zich drie meter boven het niveau van de staat. Onder de hal liggen parkeerplaatsen.

Een sporthal heeft minimale afmetingen van 42 meter bij 22 meter. De hoogte moet 7 meter zijn. Dat maakt de hal geschikt voor korfbal, handbal en voetbal. Voor die drie sporten moet het veld 40 bij 20 zijn. De hoogte van zeven meter is voldoende volgens de reglementen van de nationale volleybalcompetitie. Voor internationaal volleybal moet het dak nog twee meter hoger zijn.

Een maat kleiner dan de sporthal is de zogenaamde sportzaal: 16 bij 28 bij 7 meter. Nederland telt ongeveer 300 sportzalen, een aantal dat stabiel blijft. Nog een maat kleiner is de gymzaal van 12 bij 21 bij 5,5 meter. Het aantal van 7000 gymzalen neemt af, omdat ook het aantal basisscholen in Nederland daalt.