Wet gelijke behandeling na tien jaar strijd naar Kamer; Christelijke scholen houden mogelijkheid "eisen te stellen'

DEN HAAG, 9 FEBR. Na ruim tien jaar strijd wordt de Wet gelijke behandeling deze week door de Tweede Kamer behandeld en - zeer waarschijnlijk - aangenomen. De streng christelijke scholen, die op grond van hun gereformeerde geloof geen ongehuwd samenwonende of homoseksuele leerkrachten op hun scholen wensen, hebben altijd fel geprotesteerd tegen de mogelijkheid dat zij deze personen toch zouden moeten accepteren voor de klas. Maar de strijd is geluwd omdat de definitieve versie van de wet de mogelijkheid aan bijzondere scholen biedt om “eisen te stellen die (...) nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag”, als die eisen maar niet leiden tot discrimatie “op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat”. Veel gereformeerde scholen beschouwen deze bepaling als een voldoende garantie voor hun identiteit.

“Het gaat bij ons namelijk niet om het enkele feit. Leer en leven moeten bij ons in overeenstemming zijn”, zegt N.J. Nijkamp van de aan het GPV verwante Landelijke Vereniging van Gereformeerde Scholen (LVGS), waarin de gereformeerd vrijgemaakte besturen van 115 basisscholen en 15 scholen voor voortgezet onderwijs zijn verenigd. “Een leerkracht kan niet de gereformeerde levensovertuiging uitdragen als hij die niet zelf voorleeft. Een ongehuwde leraar kan dus niet lesgeven op een gereformeerde school.” Nijkerk verwacht dat de rechter, die de bepaling uiteindelijk zal moeten interpreteren, deze opvatting zal volgen. Hij beklemtoont wel dat een beroep op de bepaling alleen mogelijk zal zijn als de identiteit van de school sterk is en algemeen wordt gedragen door de leraren en ouders. “Voor sommige andere christelijke scholen zal dat een stuk moeilijker zijn omdat daar binnen de school wel verschil van mening over de identiteit bestaat.”

Na tien jaar strijd is er in gereformeerde kring “een zekere matheid” gaan heersen. Nijkerk: “Je krijgt nu de neiging om om vooral naar het resultaat te kijken. En dan zeg ik: in vergelijking met de voorgaande ontwerpen is dit de minst slechte versie” Maar de LVGS blijft een principieel tegenstander van de wet. Nijkamp: “Net als de Raad van State vragen wij ons af waarom het allemaal nodig is. Het is een opgeklopte zaak. Een politiek compromis dat wordt behandeld omdat het nu eenmaal op de agenda staat. En ons principiële bezwaar is dat wij in een uitzonderingsbepaling worden opgenomen. Eigenlijk wordt tegen ons gezegd: "het is principiëel verkeerd wat u doet, maar we zullen toch maar een uitzonderinkje maken'. Terwijl wij het zien als een grondrecht: de vrijheid van onderwijs.”

In de aan de SGP verwante Vereniging voor Gereformeerde Schoolonderwijs (VGS), met 122 basisscholen en 22 scholen voor voortgezet onderwijs, is de ongerustheid over de praktische consequenties van de wet groter. P Hugense van de VGS: “Vrees is een slechte raadgever, maar wij vrezen dat de rechter de wet wel in beperkte zin zal toepassen. Je kunt met de bepalingen in de wet tenslotte alle kanten op. Misschien dat het bijvoorbeeld voor docenten godsdienst mogelijk blijft om bepaalde groepen uit te sluiten maar voor een leraar gymnastiek is dat voor de rechter wellicht een heel ander verhaal. Voor ons zou dat echter een miskenning zijn van de eenheid van leer en leven. We moeten het maar afwachten.”