Steden hebben strijd tegen "plaagdier' vrijwel opgegeven; Drie kogels voor drie duiven; "Het voeren van stadsduiven is dierenmishandeling'

ROTTERDAM, 9 FEBR. Vanachter een verwarmingsbuis kijkt de duif nieuwsgierig in de loop van het .22 Flaubertgeweer. Twee seconden later klinkt het schot en dwarrelt hij klapwiekend naar beneden. De gehandschoende hand van een ROTEB-medewerker maakt met een korte draai een definitief eind aan het leven van één van de honderdduizend stadsduiven van Rotterdam.

Schutter is K. Pronk, chef ontsmetting van de Rotterdamse reinigingdienst ROTEB. Als bezitter van een jachtakte mag hij het geweer hanteren in de nachtelijke duivenjacht, die eens in de paar weken plaatsheeft. Het doel van vanavond is winkelcentrum Oosterpoort, waar zestig duiven zich in een parkeergarage hebben genesteld. Pronk is hier al twee keer eerder geweest, drie kogels zijn genoeg om de laatste drie duiven te elimineren. De beheerder van het winkelcentrum krijgt binnenkort de rekening gepresenteerd.

De duivenbestrijders van de ROTEB hanteren het geweer alleen 's nachts, in overdekte ruimtes waar duivenkooien of klapnetten onpraktisch zijn. Maandelijks maakt de ROTEB de bovengrondse metrostations van Rotterdam duivenvrij. Daarbij worden veertig tot vijftig duiven afgeschoten, vier emmers vol. Soms neemt Pronk ook een opdracht aan van een havenbedrijf. “Als er papier of voedingsmiddelen liggen opgeslagen, kan duivenpoep knap vervelend zijn”, zeg hij.

Rotterdam heeft drie duivenbestrijders, onvoldoende om alle klachten over duivenoverlast te behandelen. De klager moet eerst zelf maatregelen nemen, door randen en richels met netten of visdraden te bespannen. Het aanbrengen van pennen of "wiebelstrips' wordt ook aangeraden, maar lijmpasta, waaraan de duif vastkleeft tot de dood erop volgt, wijst Pronk af. Als dat alles niet helpt komt de ROTEB kosteloos met duivenkooien en netten te hulp.

Gezonde exemplaren worden volgens Pronk losgelaten, zieke duiven vergast en als ziekenhuisafval naar de verbrandingsovens gezonden. Jaarlijks gaat het om zes- tot zevenduizend duivenlijkjes. “We hebben wel eens iemand aan de deur gehad die ze voor een gulden per stuk van ons wilde kopen”, zegt Pronk. “Maar ik zou het niet graag op mijn bord terugvinden.”

Sinds begin jaren tachtig kampen de grote steden met een explosieve toename van het aantal duiven. De stadsduif werd een "plaagdier': de populatie moest tot een bepaald niveau worden teruggebracht, zonder te streven naar uitroeiing, zoals in het geval van ander ongedierte. In Rotterdam geldt 20.000 als streefgetal.

De tamme stadsduif (Columba livia forma urbana) bloeit in het kielzog van de oprukkende junk-food cultuur. Omdat het voedsel het gehele jaar beschikbaar is, stoort ook het koeren, paren en broeden zich niet meer aan seizoenen. Van natuurlijke selectie is geen sprake: ook de zwakke broeders pikken hun patatje mee. Pronk: “De meeste duiven verlos je uit hun lijden. Ze missen pootjes, zitten onder de luis of hebben kropziekte. Op de Lijnbaanstraat eten ze alleen hamburgers met mayonaise en zitten met z'n allen op zo'n smal richeltje de hele dag te fokken.”

Beheerders van oude gebouwen, met veel richels, randen en nissen, maken hoge kosten om hun gebouw duifvrij, of ten minste duifluw te krijgen. Duivenpoep tast lakwerk en beton aan en verstopt afvoergoten. Voor de stadsbewoner is duivenpoep nog een milde vorm van overlast. Stadsduiven kunnen ook papegaaienziekte en vormen van paratyfus verspreiden. Hun nesten zijn een vruchtbare voedingsbodem voor parasieten, zoals vlooien, luizen en tapijtkevers.

Rotterdam heeft altijd op harde middelen vertrouwd in de strijd tegen de stadsduif. “Dat is bij ons gewoon zo gegroeid”, zegt Pronk. Maar in tegenstelling tot de vlo, de rat en de kakkerlak, heeft de duif zijn supporters. “Ik kan niet op konijnen schieten, maar andere mensen worden weer ontroerd door duiven. Als we ze vangen met een klapnet - dat geeft nogal wat gefladder - worden we regelmatig uitgescholden”, zegt Pronk.

De drie duivenbestrijders van de ROTEB hopen dat het aantal duiven de laatste jaren niet is toegenomen. In andere grote steden lijkt de oorlog al te zijn opgegeven. In Amsterdam stelde de PvdA in de nota "Dieren in de Stad' eind jaren tachtig voor een voederverbod in te stellen, maar dat wees het college van B en W in 1991 als onpraktisch van de hand. Wel is getracht het aantal duiven op zachte wijze terug te dringen. En experimenten met Ornitrol, de anticonceptiepil voor duiven, stelden vorig jaar echter teleur. Het uitgezette strooigoed hadden zowel in Amsterdam als in Utrecht geen merkbaar effect op de populatie en de fabrikant staakte de produktie van het middel. Dr. M. Frankenhuis, directeur van Artis, wil het nu met nicarbazine proberen, dat het duivenembryo in het ei doodt. Maar in de hoofdstad is de duivenjacht gestaakt sinds de stadsdelen voor de kosten moesten opdraaien. “Die vinden nu allemaal dat de duiven uit het aangrenzende stadsdeel komen”, zegt een woordvoerder van de Amsterdamse gezondheidsdienst (GG en GD).

Ook de andere grote steden hebben de strijd tegen de duivenoverlast min of meer opgegeven. Utrecht heeft nog één gepensioneerde duivenbestrijder, een hobbyist die slechts in noodgevallen uitrukt. Den Haag verwijst klagers naar het bedrijf Rentokil, dat zich meer met duivenpreventie dan duivenverdelging bezighoudt.

Voor stadsecologen, die hopen dat de duivenplaag met humane middelen kan worden bestreden, gloort er sinds kort weer enige hoop. Duivendeskundige D. Haag-Wackernagel beschrijft in het blad Nature van 21 januari hoe ze in Bazel de duivenpopulatie binnen enkele jaren met naar schatting tienduizend duiven zou hebben gereduceerd. Vanaf 1988 werden de burgers van deze Zwitserse stad via pamfletten, posters, radio en televisie erop gewezen dat “het voeren van duiven dierenmishandeling is”. Daarnaast werden negen - voor duiven aantrekkelijke - gedoogzones ingesteld, waar een gezonde duivenpopulatie in stand wordt gehouden. “Het voeren van duiven is nu taboe en alleen een paar onverbeterlijke mensen blijven ermee doorgaan”, constateert Haag-Wackernagel tevreden.

Dat deze burgerlijke discipline in de Randstad enige kans maakt, lijkt twijfelachtig. Pronk: “De mensen worden hier ook genformeerd dat ze geen duiven moeten voederen, maar ze blijven het toch doen. En zelfs zonder voederaars blijft er voor duiven op dit moment genoeg te eten.”