Speciale procedure bekennende verdachte past in Europese trend; De bekennende verdachte blijft verdachte en zijn schuld staat niet reeds bij voorbaat vast

Het voorstel van de Commis- sie-Moons (commissie herijking Wetboek van Strafvordering) om een strafzaak tegen een bekennende verdachte via een vereenvoudigde behandeling ter zitting af te doen, blijft commotie veroorzaken.

Al voor de openbaarmaking van het voorstel en zelfs voordat de discussie daarover binnen de Commissie was afgerond, verschenen in de juridische literatuur enkele geharnaste commentaren daarop uit de wereld van strafrechtsjuristen. In die commentaren werd vanuit een algemeen strafvorderlijk perspectief de staf gebroken over zo'n aparte procedure. Gesteld werd onder andere dat de rechter niet meer vrij zou zijn een zelfstandig oordeel te vormen over het bewijs, omdat de bekentenis van de verdachte voor de vaststelling van zijn schuld voldoende zou zijn; dat plea-bargaining - het op een akkoordje gooien met het Openbaar Ministerie in ruil voor een bekentenis - ook in de Nederlandse strafprocedure een rol zou gaan spelen en dat het aannemen van de enkele bekentenis als uitsluitend bewijs in strafzaken de kwaliteit van de materiële waarheidsvinding ernstig geweld zou aandoen.

Sinds het hoofdredactionele commentaar in NRC Handelsblad van 9 januari, waarin wordt gewaarschuwd dat het voorstel het delicate evenwicht in de verhouding tussen de procespartijen zal verstoren en dat ons Amerikaanse toestanden met deals tussen criminelen en justitie te wachten staan, wordt de discussie over het voorstel voor een breder publiek gevoerd. Nadat het lid van de commissie-Moons, prof. G.J.M. Corstens in NRC Handelsblad van 15 januari het voorstel verdedigd had door erop te wijzen dat de rechten van de verdachte daarin niet worden aangetast, plaatste de psycholoog professor W.A. Wagenaar in het bijvoegsel Wetenschap & Onderwijs van 4 februari het voorstel weer in het beklaagdenbankje op basis van dezelfde kritiek die reeds eerder in de juridische literatuur was geuit.

De kern van zijn kritiek is dat het voorstel zou aanzetten tot plichtsverzuim door de rechter, omdat deze de door de verdachte afgelegde bekentenis niet meer zou behoeven te toetsen aan het overige bewijsmateriaal. De schuldvraag zou zo vrijwel zonder verdere toelichting kunnen worden beantwoord. Op basis van de premisse dat de bekentenis voldoende zou zijn voor de vaststelling van de schuld, veegt hij de vloer aan met het voorstel, omdat bekentenissen vals kunnen zijn of door de politie kunnen zijn afgedwongen en in ieder geval niet diagnostisch zijn voor de schuld.

Maar wat blijft er van Wagenaars kritiek over als blijkt dat zijn premisse onjuist is? Waarop laat Wagenaar zijn premisse steunen? In ieder geval niet op de tekst van het voorstel. Daarin wordt namelijk uitdrukkelijk bepaald dat ook bij de bekennende verdachte de schuldvraag wordt vastgesteld op basis van de artikelen 338-344 Wetboek van Strafvordering, dus de voor het bewijs in de normale strafprocedure geldende regels (art. 366 b Voorstel commissie-Moons, ontwerp memorie van toelichting, pag. 3). Geheel ten onrechte stelt Wagenaar dat met een bekentenis genoegen wordt genomen voor het vaststellen van de schuld.

De rechter zal, zo blijkt uit het voorstel, de bekentenis moeten toetsen aan het overige bewijsmateriaal. De bekennende verdachte blijft dus verdachte en zijn schuld staat niet reeds bij voorbaat vast.

Ook zijn verwijzingen naar het Angelsaksische systeem van plea-bargaining en de daaraan ontleende kritiek op het voorstel is niet terecht, wederom omdat de rechter de plicht blijft houden om een zelfstandig oordeel over de schuldvraag te vormen. Ook al bekent de verdachte, dan nog zal de rechter verplicht zijn te onderzoeken of die bekentenis strookt met de overige bewijsmiddelen. Het is aan de rechter om te bepalen of uit de inhoud van de bewijsmiddelen een bewezenverklaring kan volgen. De rechter kàn van de verkorte procedure gebruik te maken, maar is daartoe niet verplicht. Door de procedure-Moons wordt - anders dan Wagenaar stelt - de rechter niet buitenspel gezet. De procedure is daardoor niet vergelijkbaar met plea-bargaining.

Hoe kwam de Commissie op haar voorstel als de plea-bargaining niet als voorbeeld is genomen? Wie de recente ontwikkelingen op strafprocesrechtelijk terrein zoals verwerkt in de nieuwste Wetboeken van Strafvordering in enkele Westeuropese landen heeft gevolgd, heeft kunnen constateren dat er een sterke trend is om ruimte te scheppen voor consensus in de strafprocedure. Ik wijs op de van eind 1988 daterende Spaanse regeling van de Conformidad, de verkorte procedure voor de bekennende verdachte in de Portugese strafvordering van 1988, de diverse vormen van vereenvoudigde procedures voor "meewerkende' verdachten in de Italiaanse strafvordering van 1989 en de strafvorderlijke voorstellen van de Franse Commission Justice Pénale et Droits de l'homme (commissie-Delmas Marty) inzake de "plaide coupable'.

Dat idee van de consensus heeft de Commissie-Moons op het spoor gezet zonder evenwel daaraan dezelfde consequenties te verbinden die karakteristiek zijn voor een aantal van die nieuwe wetgevingen, te weten een aanzienlijke strafkorting in ruil voor een bekentenis of voor medewerking aan een verkorte procedure. Deze strafkorting deed te zeer denken aan - een niet gewenste - plea-bargaining en daarom heeft de Commissie gekozen voor een strafvorderlijke uitwerking die in sommige Scandinavische systemen bekend is.

Wat de Commissie voorstelt, is reeds meer dan een eeuw gangbare praktijk in Noorwegen, waar meer dan de helft van alle strafzaken via een bijzondere procedure voor bekennende verdachten wordt afgedaan. Toen in 1986 een aan de strenge eisen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens te voldoen nieuw wetboek werd ingevoerd, is de oude regeling zonder wijziging overgenomen.

Ook in Denemarken is meer dan zeventig jaar op grote schaal met deze procedure ervaring opgedaan. Tweederde van alle strafzaken wordt via de bijzondere procedure voor bekennende verdachten afgedaan. Het nieuwe IJslandse wetboek van 1 juli 1992 kent eveneens zo'n procedure.

In opdracht van het ministerie van justitie hebben mr. C.F. Mulder en ik onderzoek gedaan naar die Scandinavische procedures (De bekennende verdachte, Gouda Quint Arnhem 1993, Serie Strafrechtelijke Monografieën, Deel 17). Om ook een beeld te krijgen van de praktijk hebben wij ons in beide landen door tientallen deelnemers aan de strafrechtspleging (verdachten, politie, advocaten, rechters en officieren van justitie) over de procedure laten voorlichten. Omdat in de Scandinavische vakliteratuur de procedure instemmend wordt behandeld, hebben wij uitdrukkelijke om kritische kanttekeningen gevraagd. Ook daar bestaat kritiek op de strafrechtspleging, maar de regeling van de vereenvoudigde procedure lijkt zich een onomstreden plaats te hebben verworven.

Nu het voorstel van de Commissie-Moons op hoofdpunten overwegende gelijkenis toont met de Deense en Noorse regeling, lijkt het niet te gewaagd te veronderstellen dat de principiële bezwaren in de Nederlandse context niet valabel zijn. Dat geldt temeer voor Wagenaars kritiek, nu die gericht is op een procedure die niet wordt voorgesteld.